De aard van de maan

De ‘Dialoog’ van Galileo Galilei is bijna 400 jaar na zijn eerste verschijnen nog altijd een feest om te lezen. Vooral dankzij de levendige vertaling – de eerste in het Nederlands en tevens de beste van allemaal.

Het is verbazingwekkend en heerlijk: dat je lezend in een bijna vierhonderd jaar oud boek over iets wat we nu allemaal weten – dat de aarde rond zijn as wentelt en om de zon draait – zo kan genieten én gniffelen. Genieten van knap opgezette betogen en mooie metaforen, gniffelen om gekke vergelijkingen, ironie en vileine zinnen. Natuurlijk, soms denk je: dit had iets minder omslachtig geformuleerd kunnen worden. Maar ach, zo lang de uitweidingen lekker lezen, is dat geen echt probleem.

De Dialoog van Galileo Galilei (1564-1642), voor het eerst verschenen in 1632, is dus een feest. Dat komt niet in het minst door de levendige Nederlandse vertaling van Hans van den Berg die de eerste Nederlandse editie verzorgde. Het is meteen een van de beste vertalingen van het boek, schrijven wetenschapshistorici Albert Van Helden en Floris Cohen in hun inleiding.

‘Als er ooit twee mensen waren die zich wat verstand betreft in hoge mate wisten te onderscheiden van de andere mensen, dan waren dat Ptolemaeus en Copernicus wel, die de inrichting van de wereld op een zeer hoog niveau duidden, aanschouwden en bediscussieerden.’ Dat schrijft Galilei zelf als hij zijn boek opdraagt aan Ferdinand II, groothertog van Toscane, bij wie hij als hofwiskundige en -filosoof in dienst is.

In het daarop volgende en volstrekt ironische, maar door de kerkelijke censuur kennelijk letterlijk genomen voorwoord licht Galilei toe wat hij met die twee wereldbeelden wil doen. Hij zal ze tegenover elkaar zetten, zonder vooringenomenheid, opdat een ‘oordeelkundige lezer’ zelf kan concluderen: in Italië wordt op zeer verlichte, wetenschappelijke wijze nagedacht over de vraag of de aarde in het hart van de kosmos staat (zoals Ptolemaeus dacht), dan wel om haar as wentelt en rond de zon beweegt (het standpunt van Copernicus). En om die oordeelkundige lezer te bedienen schrijft Galilei zijn Dialoog niet in het Latijn, de taal van de wetenschap, maar in het Italiaans – de taal waarin hij zich thuis voelt ‘als een vis in het water’, zo schrijven Cohen en Van Helden.

Galilei ging niet over één nacht ijs. Voordat hij in 1624 aan zijn boek begon, voerde hij eerst zeven lange gesprekken met paus Urbanus VIII. Nog maar acht jaar eerder, in 1616, had diens voorganger, Paulus V, immers de moderne Copernicaanse opvatting veroordeeld en Galilei gemaand voortaan te zwijgen over dit gedachtegoed.

Maar uit de gesprekken met Urbanus maakte Galilei op dat hij weer wat speelruimte zou krijgen. Hij mocht over Copernicus’ ideeën schrijven, zo leidde hij eruit af, zolang hij maar niet de indruk wekte dat het Copernicaanse wereldbeeld een afspiegeling van de werkelijkheid was. Want, zoals de paus zei: God zou in zijn oneindige wijsheid de wereld zo kunnen hebben geschapen dat stervelingen die niet kunnen doorgronden.

Dus goot Galileo zijn boek in de vorm van een dialoog. De geleerde Salviati brengt daarin het omstreden Copernicaanse wereldbeeld over het voetlicht, de simpele Simplicio verdedigt het klassieke wereldbeeld van Ptolemaeus, en de intelligente Sagredo vervult de rol van de oordeelkundige leek.

Galilei modelleerde die personages naar de drie mannen met wie hij in zijn jongere jaren in Padua en Venetië zo vaak discussies had gevoerd, zo schrijft hij in zijn opdracht aan de Groothertog. Filippo Salviati uit Florence had ‘een subliem verstand dat je geen groter plezier kon doen dan door het te voeden met zeer precieze redeneringen.’ En ook de voorname Giovanni Francesco Sagredo uit Venetië, was ‘begiftigd met een zeer scherpzinnige geest’. De figuur Simplicio, legt Galilei daarna uit, verwijst naar een bij die discussies aanwezige filosoof, en ‘vanwege diens bovenmatige voorliefde voor de commentaren van Simplicius [op het werk van Aristoteles en Ptolemaeus, red.] leek het mij passend hem naar zijn vereerde schrijver te noemen’. Aardig bedacht, maar iedereen las, en leest, natuurlijk ‘Simpelmans’.

Het is ook een feest om daarna, bijvoorbeeld, te lezen hoe deze drie mannen, op de eerste dag, de aard van de maan bespreken. Salviati hangt een spiegel aan de muur en wijst zijn gespreksgenoten erop dat die het zonlicht als een rechthoekige vlek op een tegenoverliggende muur afbeeldt. Als je echter niet vlak voor die lichtvlek staat, maar ergens ernaast en dan toch de spiegel probeert te ontwaren, dan blijkt dat je het gladde oppervlak ervan amper kunt zien. Daarom, betoogt Salviati, moet ook de maan bestaan uit ruw gesteente dat licht in alle richtingen weerkaatst en juist daarom zo goed zichtbaar is. Daar komt bij, stelt hij, dat we nu met verrekijkers bergketens op de maan zien, net zoals we die op de aarde aantreffen.

Zo brengt Galilei een nieuw element in de langlopende discussie. Bij monde van Salviati neemt hij meetresultaten als uitgangspunt voor een beschrijving van de kosmos, in plaats van filosofische abstracties. Bovendien beroept hij zich op metingen met de verrekijker, een nieuw instrument uit Middelburg (1609), dat hijzelf destijds als eerste op de hemel richtte.

‘Waarom?’ zouden de klassiek geschoolde filosofen zich afvragen. Ptolemaeus heeft in zijn model van de kosmos toch al lang laten zien dat de hemelse sferen volmaakt en onveranderlijk zijn – zodat ook de maan een perfect glad en spiegelend oppervlak moet bezitten?

Maar Galilei deed het toch en trof aan de hemel tal van fenomenen die hem sterkten in zijn opvatting dat Copernicus het bij het rechte eind had. Zelfs de zon is veranderlijk, laat hij Salviati zeggen. Kijk maar, hoe er op het zonsoppervlak telkens vlekken verschijnen en verdwijnen.

Zo brengt Galilei op deze eerste dag tot uitdrukking wat hij eerder (in Het Goudschaaltje uit 1623) ook al schreef: ‘Het boek van de natuur is geschreven in de taal van de wiskunde.’ En als natuurwetenschappers de feiten die ze ontdekken, met deze wiskundige taal kunnen beschrijven, dan hebben theologen dat maar te accepteren, zo is de subtekst.

Nog iets: in dat Euclidische heelal dat door de wiskunde wordt geregeerd, bestaan geen voorkeursrichtingen en hiërarchieën meer. Geen rangen en standen en laag-bij-de-grondse of juist verheven sferen. Zoals Cohen en Van Helden concluderen: in de Dialoog scheiden zich zo de wegen van de natuurwetenschap en de waarden. Op de tweede en derde dag gaan de gesprekken van de drie mannen over specifiekere zaken, zoals de vraag of de aarde wel om haar as kán wentelen. Waarom voelen we dan niet voortdurend een straffe oostenwind? Waarom raken vogels die hoog in de lucht kwinkeleren hun nesten niet kwijt doordat de aarde intussen verder draait?

Met slimme gedachtenexperimenten overtuigt Salviati-alias-Galilei zijn gesprekspartners ervan dat beweging, als die tenminste niet versneld is, in feite relatief is. Neem een vissenkom, zegt Salviati, en zet hem in het donkere ruim van een schip. Laat nu dat schip eerst stil liggen in de haven en dan met hoge, maar constante snelheid over de zee varen. Zien jullie verschil in de manier waarop de vissen in de kom zwemmen?

Zo is het ook met de wentelende aarde en alles daarop: dat beweegt zo mee dat het lijkt alsof er geen beweging is. Zelfs de atmosfeer wordt door het ruw aardoppervlak min of meer meegesleept in de wentelende beweging. Net zo kan de aarde zonder al te veel bezwaren in een baan om de zon bewegen, betoogt Salviati daarna op de derde dag. Laat niet de ontdekking van vier Jupitermaantjes – met die nieuwerwetse verrekijker en door Galilei – zien dat er in de kosmos meer dan één omwentelingspunt bestaat? Dat de aarde dus helemaal niet, zoals in het wereldbeeld van Ptolemaeus, het enige omwentelingspunt van de kosmos hoeft te zijn waar alle andere planeten en de sterren omheen bewegen?

Tegen het einde van het boek somt de oordeelkundige Sagredo dan nog eens de argumenten op die in het voordeel van Copernicus uitvallen. Diens model is wiskundig gezien veel eleganter dan dat van Ptolemaeus waarin steeds meer hulpcirkels nodig zijn om de bewegingen van de hemellichamen te verklaren. Uit de beweging van de zonnevlekken blijkt bovendien dat zelfs de zon om zijn as wentelt. En op de vierde dag heeft Salviati dan nóg een argument uit zijn mouw geschud dat ‘concludenti’, doorslaggevend, is.

De gecombineerde beweging van de aarde, om haar as en rond de zon, zo betoogde hij, laat het water in de bassins van de Middellandse Zee en de oceanen heen en weer klotsen en zorgt zo voor eb en vloed. Of denkt u soms ‘dat de Aarde het water aantrekt en terugspuit alsof ze ademt als een gigantische walvis?’ voegt hij de arme Simplicio spottend toe. Ook het door Sagredo naar voren gebrachte idee, ontleend aan Johannes Kepler, dat de maan eb en vloed veroorzaakt, zet Salviati als een sprookje weg.

De ironie is natuurlijk dat Salviati-alias-Galilei zelf het hier bij het verkeerde einde had. En zo bezien is het niet eens zo vreemd dat de door de paus ingestelde commissie van drie niet overtuigd was door zijn boek. Maar wat Galilei de das omdeed was iets anders: hoe dom was het niet dat hij op de laatste bladzijden het lievelingsargument van de paus – dat God de wereld ook heel anders zou kunnen hebben geschapen – in de mond van Simplicio legde. Van Simpelmans dus, die tijdens de eerdere gesprekken zo vaak op zijn nummer was gezet. Het maakte de paus furieus, bezorgde Galilei een proces en zette de verhouding tussen kerk en wetenschap onnodig op scherp. Maar ach, voor de lezer maakt dat niet uit: want dit briljante boek dat de natuurwetenschap richting gaf, is mede dankzij die spot tot de laatste bladzijde, zoals gezegd, een groot genoegen.