Als ik een stukje tik weet ik wie meekijkt

Alle buitenlandse journalisten in China gaan ervan uit dat ze digitaal begluurd worden. Telkens als zijn e-mail hapert, schrikt onze correspondent Oscar Garschagen.

Met de onthulling dat de familie van premier Wen Jiabao puissant rijk is, raakte The New York Times vorig jaar oktober een zeer gevoelige snaar in China.

Als het gaat om de hoogste leiders is China overgevoelig en reageert in zulke gevallen alsof de kameraden nog in een prerevolutionaire strijd zijn verwikkeld en beschermd moeten worden tegen aanvallen van kapitalisten. Onzekerheid en een diepe angst voor druppelsgewijs machtsverlies versterken het paranoïde gedrag van de staatsveiligheid die kan beschikken over een leger aan freelance hackers en de specialisten van het leger.

De krant die al jaren op voet van oorlog verkeert met de CPC-top werd voor de publicatie van het knappe Wen-verhaal van Chinese zijde op vage wijze bedreigd, en was daarom op haar hoede. Betrekkelijk snel werd ontdekt dat hackers uit China regelmatig inbraken in het computersysteem van de krant.

Dat is niet verrassend, want de correspondenten van The New York Times in China en de centrale redactie in New York hadden al rekening gehouden met professionele gluurders. En de krant had ook alle papieren bronnen en gespreksverslagen waar het verhaal op was gebaseerd openbaar gemaakt. De auteur, David Barboza in Shanghai, week voor alle zekerheid uit naar een buurland. Een beschamende maatregel voor een land dat zich wil ontwikkelen tot een wereldmacht.

Alle buitenlandse journalisten gaan ervan uit dat zij permanent of op gezette tijden digitaal begluurd, afgeluisterd of gevolgd worden door de controlefreaks van de staatsveiligheid. Vroeg of laat wordt iedere journalist naar aanleiding van een reportage, een interview of reis gevraagd een „kopje thee te komen drinken”. Dan worden er verrassend goed geïnformeerde vragen gesteld.

Iedere correspondent in Beijing, Shanghai of Guangzhou laat daarom zijn pc, laptop, iPad en iPhone regelmatig controleren op Trojaanse paarden en andere digitaal ongedierte. Het schijnt niets te helpen. Iedere journalist mijdt het gebruik van e-mail en telefoon om vertrouwelijke of gevoelige informatie uit te wisselen met bronnen in bijvoorbeeld de Tibetaanse gebieden of de dissidentengemeenschap. Persoonlijke ontmoetingen zijn vaak veiliger. Om de titel van de thriller van Charles den Tex over cybermanipulatie en spionage te parafraseren, ‘de macht van meneer Xi Jinping’ is groot.

Lezing van de zeer realistische thrillers van Den Tex is in China niet goed voor de stemming, ook al die verhalen over de techniek van digitale spionage kunnen beter ongelezen blijven. Bij iedere hapering bij het versturen van een e-mail, bij krakend geruis op de telefoonlijn of een supertrage internetverbinding gaan namelijk alarmbellen in het hoofd rinkelen. Om vervolgens dat onrustige gevoel met allerlei argumenten (de NRC is toch geen New York Times en wat betekent Nederland nou helemaal in China) weg te redeneren.

Een geruststellende gedachte kan ook zijn dat de meeste digitale inbraken van de Chinese hackers worden ontdekt, zoals nu ook weer bij de New York Times is gebeurd. Maar dat is bij nader inzien een gevaarlijk naïeve gedachte. Toch maar weer eens McAfee een scan laten uitvoeren, voor de tiende keer in de afgelopen 48 uur.