Zegt de ene parlementariër tegen de ander: alsjeblieft, laat me er in!

Europarlementariërs en leden van nationale parlementen moeten elkaar vaker ontmoeten. En beter werk verdelen.

„Ik voel me tegenwoordig erg alleen. Wij maken hier in Brussel veel wetten waar jullie mee moeten werken. Maar we zitten in compleet gescheiden circuits. Dat gaat zo niet langer.” Zo sprak de Zweedse europarlementariër Olle Schmidt dinsdag in het Europees parlement tegen tientallen vertegenwoordigers uit nationale parlementen die voor de eerste ‘Europese Parlementaire Week’ naar Brussel waren gekomen.

Schmidt sprak namens velen. Aan beide kanten. Door de eurocrisis en de globalisering is er in Europa politiek van alles scheefgezakt. Steeds meer economische en begrotingsbesluiten worden – gedwongen door de interne markt en de gezamenlijke munt – in Brussel genomen. Dat doen nationale ministers en regeringsleiders, en het Europees parlement is er nauw bij betrokken.

Wat is de rol van nationale parlementen nog? Die vraag is van belang, want de begroting is een nationale bevoegdheid gebleven – de Europese begroting is niet meer dan 1 procent van de nationale. Belastingen worden in de lidstaten geïnd, en zij zijn het die dat geld uitgeven. Daar gaan nationale parlementariërs dus over.

Maar hoe weten zij wat er in Brussel gebeurt? Hoe sturen en controleren ze het? En hoe stem je dat af met 27 parlementen? Hoe gaan controle en democratie samen? Europees president Van Rompuy heeft in een rapport over de toekomst van Europa voorgesteld nationale parlementen meer bij Europese besluitvorming te betrekken. Dit maakt europarlementariërs, vaak luizen in de pels voor regeringsleiders en ministers, een beetje nerveus. Zij hebben het gevoel dat ze uit het script geschreven worden.

Om na te denken over een beter systeem nodigden de europarlementariërs hun nationale collega’s een paar dagen uit. Onvermijdelijk werd de tijd deels gevuld met toespraken: eurocommissaris Rehn, Commissievoorzitter Barroso, Van Rompuy. Maar om niet in obligate symboliek te verzanden, spraken de parlementariërs in kleinere groepen over concrete terreinen waar de globalisering en het ‘democratische tekort’ ongekend hard kunnen botsen: economisch beleid, begrotingscontrole en werkgelegenheid en sociale zaken.

Voorbeelden? PvdA’er Michiel Servaes, een van de aanwezigen uit de Tweede Kamer, weet er behalve het Europese semester (de verregaande begrotingscontrole, die in veel hoofdsteden als opgelegd pandoer wordt gezien) meteen nog een. „Wie controleert straks of de ECB goed bankentoezicht uitvoert”, vraagt hij. „De ECB is een Europese instelling. In monetaire zaken is ze onafhankelijk. Maar bankentoezicht, daar moeten we wél bij kunnen. Dat staat in de regels: beslissingen over banken kunnen leiden tot bail-outs. Dat raakt nationale begrotingen. Maar hoe regel je dat met zeventien nationale parlementen plus een Europees parlement? We kunnen bankgouverneur Knot vaak uitnodigen. Maar Draghi? Dit is een echte breinbreker.”

Zijn Ierse collega Dominic Hannigan had ook een voorbeeld: het Ierse referendum, afgelopen jaar, over het ‘fiscal compact’, de Europese afspraken over strenge begrotingscontrole die regeringsleiders in een apart verdrag vastlegden. „Niemand had door dat die regels al maanden golden. Ze stonden in het ‘sixpack’, gewone Europese wetgeving die onze minister het jaar ervaar had goedgekeurd.’’

Nationale parlementen hebben altijd geklaagd dat ze weinig greep hadden op wat ministers en regeringsleiders in Brussel afspraken. Omdat veel afspraken compromissen zijn, waarbij iedereen gevoelige punten wint en moet prijsgeven, komen die deals vaak ’s nachts tot stand na marathonvergaderingen. Om drie uur ’s nachts een parlement thuis inlichten, was altijd al ondoenlijk. Als je het Nederlandse of Finse parlement een lastminute compromistekst in het Frans stuurt, begrijpt niemand het. Veel Fransen en Spanjaarden hebben moeite met Engels.

Maar de burger eiste vroeger minder. Een Britse oud-europarlementariër, nu in het Hogerhuis, herinnert zich „dat wij begin jaren negentig Alexandre Lamfalussy tot voorzitter kozen van het Europees Monetair Instituut. Daar kraaide geen haan naar. Maar het EMI was wel de voorloper van de Europese Centrale Bank!”

Nu interviewen de Lords ECB-directieleden via videolink – terwijl de Britten niet eens de euro hebben. De burger is supermondig. Zijn vertrouwen in Europa is laag. Bovendien worden Europese besluiten van regeringsleiders minder door nationale ministers voorbereid dan vroeger.

„Toen de ministers het deden, kon je er als parlement nog redelijk bovenop zitten,” zegt Servaes. Nu schuiven ministers niet meer aan bij toppen van regeringsleiders. Sherpa’s, ongekozen medewerkers, doen de voorbereiding. „Op zo iemand hebben wij geen zicht.” Servaes heeft een motie ingediend om de premier niet alleen vóór Europese toppen, zoals nu, maar ook erna naar de Kamer te halen. Dan moet Rutte de besluiten komen uitleggen.

De Zweed Schmidt: „Wij hebben beter zicht op het Europees belang. Maar jullie, in hoofdsteden, staan dichter bij de burger. Jullie moeten hier komen, wij daar. Please: let us in!”