Waarom steunt Nederland de Franse acties in Mali?

Louise O. Fresco vraagt zich af wat Nederland kan bijdragen aan de Franse interventie in Mali, en waarom hierover zo weinig kritische vragen worden gesteld.

Soms biedt de literatuur meer zicht op de werkelijkheid dan de officiële bulletins van de overheid. Neem de kwestie-Mali. Het ministerie van Defensie kopte kort maar krachtig: „Nederland steunt Franse acties in Mali”. Uit andere teksten uit dezelfde bron blijkt enige nuance. Het kabinet heeft Nederlandse transporttoestellen beschikbaar gesteld voor logistieke doeleinden, maar deze zullen niet naar Mali vliegen, alleen naar buurlanden. Hierbij gaat het „niet om deelneming aan een militaire operatie”, maar „om logistieke steun binnen een bestaand samenwerkingsverband”. Tja.

Nee, dan de literatuur. In december 2007 werden vier Franse toeristen in koelen bloede vermoord, door een groep extremisten uit Mauretanië. Andere gewelddaden volgden, inclusief een zelfmoordaanslag voor de Franse ambassade in Nouakchott. De terroristen behoorden allen tot de AQMI, AlQaida dans le Maghreb Islamique. Dit gegeven verwerkte Jean-Christophe Rufin in zijn roman Katiba (2010). Hij schetst een wirwar van met elkaar rivaliserende terroristische groepen die ieder overtuigd zijn van hun heilige missie, maar waar onderling wantrouwen en geweld aan de orde van de dag zijn. Een gebied waar de Amerikaanse, Algerijnse en Franse binnenlandse veiligheidsdiensten samenwerken en elkaar dwars zitten. Boven alles raakt de lezer onder de indruk van het gemak waarmee de terroristen zich door de woestijn verplaatsen, met geheime schuilplaatsen en brandstof-, voedsel- en watervoorraden, door nauwkeurige satellietsystemen gemarkeerd.

Wie ooit gereisd heeft door het uitgestrekte gebied tussen Senegal, het zuiden van Algerije, Libië en Soedan begrijpt de bijna-onmogelijkheid van de Franse interventie. Het is een niemandsland met vage grenzen, waar alleen tribale rechten gelden en overheden door niemand worden gerespecteerd, waar loyaliteiten altijd kortstondig zijn en fluctueren. Het verschil tussen Mali en zijn buurlanden bestaat slechts op papier.

Er zijn allerlei redenen te bedenken waarom Nederlandse steun te rechtvaardigen is. Niemand wil dat gewelddadige islamitische terroristen verder terrein veroveren. Frankrijk is een goede bondgenoot van Nederland. De Franse acties zijn nodig. Het Malinese leger is niet in staat de terroristen te bestrijden. Het is allemaal waar. Maar helaas kleeft aan deze snelle Nederlandse beslissing tot steun aan de Franse actie een behoorlijke dosis naïviteit. Hoe zeker zijn wij van het belang van onze steun en waar die toe leidt? Is het weer een kwestie van een klein beetje doen om niemand voor het hoofd te stoten?

Er zijn immers vragen te over. Wat zijn de Franse intenties precies? Heeft de operatie het karakter van eenmalige, bilaterale steun aan een voormalige kolonie? Gaat het om een breder initiatief tegen het terrorisme? Is er echt sprake van een humanitair belang? Of gaat het om het veiligstellen van Franse belangen in de regio, met name in Niger, met zijn uraniumvoorraden die van wezenlijk belang zijn voor de Franse kerncentrales? Het is verbazend dat het parlement nauwelijks kritisch heeft gereageerd (met uitzondering van de SP).

Wat voor garanties zijn er dat Mali niet een onmogelijk, jarenlang avontuur wordt in een meedogenloze omgeving, die doet denken aan Afghanistan of Irak? Hoeveel specialisten telt Defensie als het gaat om deze ingewikkelde regio? Vooral: wanneer bepaalt wie dat de actie c.q. de Nederlandse steun een succes is? Militaire operaties vragen ook om een duidelijk eindpunt.

En dan nog: hoe naïef kun je zijn als je, zoals minister Ploumen, graag wilt onderzoeken hoe de Nederlandse inspanningen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in Mali kunnen worden vergroot? Denken we echt dat we zo ‘duurzame vrede’ kunnen brengen bij Al-Qaeda-achtige terroristen? De groepen waarmee we in de Sahel te maken hebben, zijn geen arme boerinnen zonder waterputten, maar getrainde strijders die grotendeels, als we Rufin en andere bronnen mogen geloven, uit een stedelijk milieu komen, soms zelfs uit Frankrijk, en daar zijn geradicaliseerd. De Nederlandse ervaring op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, hoe lovenswaardig ook, heeft echt geen relevantie in deze strijd.

Louise O. Fresco is is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurder en schrijfster.

    • Louise O. Fresco