Vlaamse meester die pop-art voor was

Vanuit zijn geboortedorp Machelen keek schilder Roger Raveel naar de rest van de wereld. Hij was zijn tijd ver vooruit, vond hij zelf – en kreeg gelijk.

Witte vlakken zijn een belangrijk thema in Raveels werk. Roger Raveel bij zijn werk in 2007. Foto NRC Handelsblad/ Vincent Mentzel

Een Vlaamse reus werd hij genoemd, en: de meester van Machelen. Roger Raveel was een van de grootste naoorlogse schilders die België gekend heeft. Een kunstenaar die zich nooit iets heeft willen aantrekken van stromingen of modes en die zijn hele leven trouw gebleven is aan zijn geboortegrond. Gisteren overleed hij op 91-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Deinze, waar hij twee weken geleden met een longontsteking was opgenomen.

Uit bijna niets bouwde Raveel een groots oeuvre op. Hij schilderde wat hij zag als hij uit het raam van zijn huis in Machelen aan de Leie keek: de paaltjes van zijn tuinhek, een vrouw die de was ophangt, de typisch Belgische wegen van betonplaten, het plaatselijke voetbalveld, de lokale molen. Triviale onderwerpen misschien, maar Raveel vertaalde dat beperkte universum in een rijkdom aan kleuren en vlakken.

In Nederland werd hij gezien als belangrijk vertegenwoordiger van de Nieuwe Figuratie, de stroming uit de jaren zeventig waar ook Reinier Lucassen, Pieter Holstein en Alphons Freymuth toe gerekend worden. Maar Raveel sprak zelf liever over de Nieuwe Visie, omdat daar het woord ‘kijken’ in verstopt zat. En kijken, daarom draaide zijn schilderkunst.

De behoefte om zijn geboortedorp te verlaten heeft hij nooit gehad. Ook al voelde hij zich door de rest van de wereld nogal miskend, hij bleef waar hij was. Zijn goede vriend Hugo Claus drukte Raveel kort na de oorlog op het hart dat hij zijn geluk moest gaan beproeven in Parijs of Amerika, zo is te lezen in hun in 2007 gepubliceerde briefwisseling. „Dan ga je meer uitstraling hebben. Je mag honderd keer de grootste zijn, ze weten dat hier niet.” Maar door in Machelen te blijven, vond Raveel, had hij tijd om te kijken. „Ik heb daardoor veel dieper kunnen schouwen naar het essentiële van dingen.”

De erkenning mocht dan op zich laten wachten, zelf was Raveel altijd zeer overtuigd van zijn eigen kunnen. Meermalen benadrukte hij in interviews dat hij toch echt eerder was dan ‘die Amerikanen’ met het gebruiken van alledaagse voorwerpen in zijn composities. Begin jaren zestig al begon hij met het bevestigen van objecten aan zijn schilderijen, zoals een fietswiel, spiegels, gordijnen of kooien met levende kanaries. Dat hadden pop-artkunstenaars als Andy Warhol en Robert Rauschenberg dus van hem afgekeken.

Via Lucassen kwam Raveel met de Nederlandse kunstwereld in contact. Hij exposeerde bij de Amsterdamse galerie Espace, waar ook veel Cobra-kunstenaars bij aangesloten waren. „Grote schilders, maar voor mij waren ze ouderwets”, aldus Raveel. En toen de Belgische kunstenaar zijn schilderijen met lege witte vlakken in de vroege jaren zestig in Italië exposeerde, zou kunstenaar Lucio Fontana volgens hem hebben uitgeroepen: „De vernieuwing komt uit het Noorden verdomme!”

Er is een anekdote uit Raveels jeugd die de schilder in interviews altijd met veel gretigheid vertelde. Dat hij als klein jongetje al zo geobsedeerd was door zijn eigen spiegelbeeld, dat hij bij het bij het bekijken ervan in een teil met water bijna verdronk. Zijn moeder hing net de was aan de waslijn en had niets door.

Een buurman viste de kleine Roger bewusteloos uit de teil en wist hem te reanimeren, maar door het vuile water hield hij wel een chronische bronchitis aan het ongeluk over. „Kunst heeft me bijna mijn leven gekost”, aldus Raveel.

„Zonder dat ik het me realiseerde was ik van jongs af aan een kijker.”

Misschien was dat witte laken aan de waslijn wel het lege vierkant dat vele jaren later Raveels beeldmerk zou worden. In een interview met deze krant in 1991 zei de kunstenaar daarover: „Het vierkant is een geestelijk geladen ding. Het is een product van de mens, het is niet afgekeken van de natuur zoals de cirkel.”

In Raveels schilderijen dient dat lege vierkant als een onbeschreven blad waar de toeschouwer zijn eigen gedachten op kan projecteren. „Daar was ik zeer mee bezig, met dat geestelijke. Dat heeft mij al heel vroeg, vanaf 1948, leegtes in mijn schilderijen doen brengen. Daarna heb ik spiegeltjes in mijn schilderijen gebracht, om zo de omgeving in het kunstwerk op te nemen.”

Het was de dorpspastoor die Raveels ouders in de oorlogsjaren overtuigde dat hun kind barstte van het schildertalent en naar de academie moest. Zo belandde Raveel op de kunstacademie in Gent. Hij bestudeerde de schilderkunst van Giotto, Mondriaan, Léger, Van Eyck, Hals en Rubens.

Maar de technieken en tradities die hem geleerd waren, gooide hij al snel overboord toen hij in 1948 de academie verliet.„Ik heb tegen mezelf gezegd: Roger, je gaat kijken, denken, voelen. Vanuit dit moment, van waaruit je nu denkt en ervaart.”

De eerste jaren werkte hij in armoede, en werd hij onderhouden door zijn echtgenote Zulma die vanuit hun huis in Machelen een handeltje in likeuren dreef.

Maar toen Raveel de vijftig naderde, kwam de erkenning uiteindelijk toch nog. Hij nam in 1968 deel aan de Biënnale van Venetië en de Documenta in Kassel. Hij kreeg solotentoonstellingen in het Stedelijk Museum (1974), het Van Abbemuseum (1986), het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem (1992) en het Cobra Museum (2004). Hij ontving in 1983 de Joost van den Vondelprijs en werd in 1995 in de Belgische adelstand verheven. En in 1999 kreeg Raveel een eigen museum in Machelen. Hij mocht er de plaatselijke kapel geheel naar zijn hand zetten. Aan de oever van de Leie verscheen een veertig meter lange muur, de ‘Muur van de Verbeelding’ waarop Raveel witte vierkanten en spiegels aanbracht die de omgeving reflecteren. Nu is Machelen aan de Leie een bestemming voor kunstliefhebbers geworden, en niet alleen omdat Gerard Reve er ook ooit woonde.

Roger Raveel heeft het altijd al geweten: „Ik was ervan overtuigd: dat succes komt wel. Ze gaan mij wel ontdekken. Al zal de doorsneekijker mijn oeuvre pas over vijfhonderd jaar écht begrijpen.”

    • Sandra Smallenburg