The Master

Over de onlangs uitgekomen speelfilm The Master van Paul Thomas Anderson lopen de meningen sterk uiteen. Ik vind het een fascinerende film, maar een kennis wiens oordeel ik vertrouw begreep mijn waardering niet – hij vond het maar trage onbestemdheid die Anderson hem voorschotelde.

Dezelfde verdeeldheid vertoonde de Engelse kwaliteitspers, toen de film daar eind vorig jaar uitkwam.

De strijd tussen ‘vader’ en ‘zoon’

„Na een uur was ik verbijsterd”, schreef Rachel Cooke in The Observer, „na twee uur verveelde ik me dood.” Maar haar collega Peter Bradshaw van The Guardian ging de film twee keer zien en werd steeds enthousiaster: „Briljant, mysterieus en ondraaglijk droevig.” In NRC Handelsblad reageerden ook André Waardenburg en Coen van Zwol opgetogen.

Ik moet toegeven dat ik als kijker een positief vooroordeel koesterde: alles wat met goeroes (en hun sekten) te maken heeft, boeit mij. Ik heb hen vaak geobserveerd tijdens hun publieke optredens. De kritiekloze adoratie die ze krijgen, ook van mensen die dankzij hun opleiding en intelligentie beter zouden moeten weten, heeft me altijd gefrappeerd.

Toevallig las ik kort voor ik The Master ging zien, een treffend citaat van W.F. Hermans over sekten in een brief uit 1970 aan Rudy Kousbroek: „Ik vind de Weinrebtoestand ook erg belangwekkend omdat je hier vlak voor je neus kunt zien hoe sekten ontstaan: door grote leugens te bedelven onder nog grotere leugens, door op ontmaskeringen niet in te gaan, door tegenstanders verdacht te maken, door medestanders te winnen met bedrog en te zorgen dat ze zich al gecompromitteerd hebben als ze het bedrog ontdekken en niet meer terugkunnen uit angst voor chantage en isolement.”

Al die elementen zijn in The Master terug te vinden, tot de ontmaskeraar aan toe, die genadeloos geliquideerd wordt door een volgeling van de goeroe. Die volgeling, Freddie Quell, is een getraumatiseerde oorlogsveteraan, de goeroe, Lancaster Dodd, is een sluwe manipulator die Quell gebruikt als proefpersoon om zijn pseudowetenschappelijke theorieën te bewijzen. Er ontstaat een intrigerende vader-zoonrelatie tussen hen, waarin ze elkaar tot het uiterste beproeven.

Vooral de scènes waarin Dodd zijn discipel aan een ondervraging onderwerpt, zijn van grote intensiteit. Dodd wordt superieur gespeeld door Philip Seymour Hoffman, een van de beste acteurs van deze tijd, Quell is een razend moeilijke rol voor Joaquin Phoenix, die broeierige gekte moet uitbeelden en dat meestal overtuigend doet.

Regisseur Anderson heeft in interviews weliswaar beaamd dat Dodd in de verte gemodelleerd is naar Ron Hubbard, de stichter van Scientology, maar voor hem is de vader-zoonrelatie het hoofdthema. Zo heb ik dat ook als kijker ervaren.

Quell is een discipel die voortdurend dreiging uitstraalt, ook naar zijn leider. Ik verwachtte dat hij zich op zeker moment definitief en misschien op fatale wijze van hem zou ontdoen. Of dat gebeurt, mag ik hier niet onthullen, maar het was in ieder geval een mogelijkheid die mij geboeid hield tijdens de lange (143 minuten) duur van deze film.

Wie kan geloven in de bizarre relatie tussen deze twee mensen, gaat een bijzondere film tegemoet. „Ondraaglijk droevig”, schreef Peter Bradshaw. Hij zal vooral de figuur van Quell bedoeld hebben: eenzaam, raadselachtig, gestoord. De Dodds van deze wereld redden zich wel, de Quells kunnen alleen maar hopen op een goede filmer die hun lot vereeuwigt.