Multinationals, een beetje opletten nu

Shell is niet aansprakelijk voor de olielekkages in Nigeria, bepaalde de rechter gisteren. Maar de tijd is voorbij dat multinationals hun gang kunnen gaan in arme landen.

Redacteur Afrika

Den Haag. Het was een onwennige ontmoeting gisteren na het vonnis in de rechtszaak tegen Shell. Buiten de Haagse rechtbank stond de Nigeriaanse boer Eric Dooh met zijn blauwe gewaad, hoge hoed en gouden, rode en witte kettingen te blauwbekken, toen Allard Castelein, vice-president Milieuzaken van Shell, kwam aangelopen. De in donker pak gestoken Castelein stak zijn hand uit, die Dooh weifelend aannam.

Dooh is een van de vier Nigerianen die samen met Milieudefensie Shell had aangeklaagd voor schade door olielekkages in de Nigerdelta. Terwijl hij probeerde uit te leggen hoe zijn dorp en gemeenschap lijdt onder de vervuiling, benadrukte Castelein dat Shell meer dan ooit bereid is om de olie op te ruimen, maar niets kan doen aan de sabotage van pijpleidingen zonder medewerking van lokale gemeenschappen.

Dooh was duidelijk teleurgesteld dat Shell niet aansprakelijk is gesteld voor de olielekkage in zijn dorp Goi. Het was sabotage, zei de rechter, geen gebrekkig onderhoud. Het Nigeriaanse dochterbedrijf van Shell moet slechts in één geval schadevergoeding betalen, wegens nalatigheid bij het opruimen van gelekte olie.

Toch spreken experts op het gebied van internationaal recht van een baanbrekend vonnis. Multinationals konden decennialang hun gang gaan in arme landen met een zwakke rechtsstaat. Ze verscholen zich achter hun internationale aard: hun dochterondernemingen vallen onder andere nationale jurisdicties.

Ook nu betoogde Shell niet verantwoordelijk te zijn voor wat haar Nigeriaanse dochter doet. „Milieudefensie veegt alle Shell maatschappijen op één hoop en miskent daar mee dat het aparte vennootschappen zijn”, zo stond in de pleitnota. Maar de rechtbank in Den Haag verklaarde in 2009 wel degelijk bevoegd te zijn om zich uit te spreken over de zaak.

„Het is dus mogelijk voor mensen uit Nigeria om in Nederland een Nigeriaans bedrijf aansprakelijk te stellen voor wat er in Nigeria gebeurt”, zegt Menno Kamminga, hoogleraar internationaal recht in Maastricht. Er moet wel een Nederlandse link zijn; het Nigeriaanse dochterbedrijf is 100 procent eigendom van het Nederlands-Britse Shell.

Het is volgens juriste Liesbeth Enneking van de Universiteit Utrecht bijzonder dat het überhaupt tot een vonnis is gekomen. De afgelopen tien jaar zijn meer dan honderd claims tegen multinationals ingediend in het Westen. „Maar de zaken die daadwerkelijk tot een vonnis zijn gekomen, zijn op de vingers van één hand te tellen. En dan is ook nog één van de vijf claims toegewezen.”

Deze zaak toont aan dat het loont om een claim in te dienen voor een Nederlandse rechtbank. „Het rechtssysteem in westerse landen, zoals Nederland, is beter dan in de meeste ontwikkelingslanden en slachtoffers kunnen op meer empathie rekenen, als het gaat om bescherming van mensenrechten”, zegt hoogleraar internationaal strafrecht Geert-Jan Knoops. „De deur is op een kier gezet voor meer claims tegen multinationals, al kunnen die niet zomaar worden verzilverd.”

Maar er is niet zomaar een rechtszaak, een probleem voor eisers is het rechtsysteem. Bij internationale aansprakelijkheidszaken is het lokale recht van toepassing. Dat was in dit geval het Nigeriaanse recht, dat een beperkte aansprakelijkheid kent. Milieudefensie hoopte de Nederlands-Britse moedermaatschappij van Shell aansprakelijk te stellen, maar de rechter wees dit af. Allereerst omdat er sprake was van sabotage, maar ook omdat het moederbedrijf volgens het Nigeriaanse recht in principe niet verantwoordelijk is voor de schade die het dochterbedrijf aanricht.

Maar dit kan bij toekomstige zaken anders uitpakken, zeker als er een ander rechtsysteem van toepassing is. „De rechter heeft wel degelijk serieus naar de aansprakelijkheid van het moederbedrijf gekeken”, zegt Enneking. „Het vonnis verwijst ook expliciet naar een zaak in Engeland. Het Britse mijnbedrijf Cape moest in 2003 21 miljoen pond betalen aan Zuid-Afrikaanse kompels, die zonder bescherming met asbest hadden gewerkt. Dit is een signaal aan toekomstige eisers en andere multinationals.”

Kamminga denkt dat dit vonnis een aanzuigende werking zal hebben. „Ik voorzie dat meer slachtoffers in Nederland naar de rechter zullen stappen. Zeker ook omdat het Amerikaanse Hooggerechtshof binnenkort waarschijnlijk de mogelijkheden inperkt om dit soort processen in de VS aan te spannen. Veel multinationals hebben in Nederland een brievenbusfirma vanwege de belastingvoordelen. Zal de rechter dat genoeg vinden om hier een proces aan te spannen? Nederlandse advocatenkantoren kunnen in hun handen wrijven.”