Laat 't vaderland Dichter des Vaderlands kiezen

Op het International Film Festival Rotterdam wordt hij voortgeduwd in een invalidenkar. Bernardo Bertolucci. De oude held van Last Tango in Paris, van Novecento en van Il conformista, is verlamd. Een assistent trekt hem zijn handschoenen aan, zelfs dat kan hij niet meer zelf. Maar een film maken kan hij wel. En die film presenteren op een filmfestival, dat doet hij toch. Terugdeinzen? Echt niet.

Io e te heet zijn nieuwste, ‘Ik en jij’. Stront voorop, zou mijn favoriete tante gezegd hebben. En precies daarover gaat die film: een jongen van 14 leert dat stront voorop komt. Stront is onvermijdelijk en wegkijken is geen optie. Stort je erin, stik bijna, en word wijs – het is de kern van alle films van Bertolucci.

Waren ze zijn films maar gaan zien bij Poetry International. Daar deinzen ze terug voor vreemde dichters, voor ophef. Voor stront.

Vandaag is in deze krant onthuld wie de nieuwe Dichter des Vaderlands is. Mijn deadline is een dag te vroeg, ik weet nu nog niet wie het wordt. Een vrouw, hoorde ik fluisteren en ik hoop dat het waar is. Een frivole dichteres die een sonnet maakt over het damesvoetbal, in opkomst op de Nederlandse velden, maar niet op sportpagina’s en in sportprogramma’s. Of een experimenteel gedicht (vol schilderachtige spelfouten?) over de vele vrouwen voor de klas.

Maar zij zal zijn niet verkozen zijn omdat de Nederlanders voor haar stemden, zoals wel Gerrit Komrij, Driek van Wissen en Ramsey Nasr. De vierde Dichter des Vaderlands is aangewezen door een „breed samengestelde benoemingscommissie” op basis van een „profielschets” – volgens een geparfumeerde procedure dus. Veilig. Geen verrassingen, in vredesnaam géén verrassingen.

Jammer. Het liep net zo lekker, met hoog oplopende emoties en reuring. En dat was de bedoeling van de Dichter des Vaderlands: laten zien dat poëzie ertoe doet, ook voor de Nederlanders die denken dat het hun geen klap interesseert.

Ik weet dat, want ik was erbij toen de nationale dichter ontstond, in de zomer van 1999. Rients Slippens, destijds hoofd cultuur van de NPS, bedacht de term ‘Dichter des Vaderlands’, nadat ikzelf aan Poetry had voorgesteld om de Britse ‘Poet Laureate’ na te apen, ter opvrolijking van hun eerste landelijke Gedichtendag op 27 januari 2000. En dan niet aristocratisch verantwoord maar Hollands geregeld: meeste stemmen gelden.

Nederland koos voor Rutger Kopland. Die wilde niet. Toen werd het nummer twee. Gerrit Komrij. Een goeie dichter. Gewend aan aandacht, niet bang voor herrie. En direct vastbesloten om méér te doen dan nu en dan een gedicht neer te laten dwarrelen. Actie! Dankzij Komrij werd de Dichter ogenblikkelijk des Vaderlands.

Na hem koos Nederland voor Driek van Wissen. Hij was de eerste die ongegeneerd op stemmenjacht was gegaan. Nu brak de hel los. Scheldende dichters vonden dat hij de dichtkunst besmeurde en dat gelegenheidspoëzie per definitie oppervlakkig was. (Dat vonden ze ook bij Komrij. Nu hij overleden is, wordt hij heilig verklaard. Toen werd hij gretig zwart gemaakt.)

Aan Van Wissens kwaliteiten werd getwijfeld. Kan zijn. Maar hij doorbrak een taboe. Vier jaar later voerden verschillende dichters wél campagne en daaruit bleek meteen of ze geschikt waren voor het openbare dichterschap.

Nu won Ramsey Nasr. Als derde Dichter des Vaderlands wreef hij Nederland onder de neus hoe relevant de dichtkunst kan zijn en hoe effectief een Dichter des Vaderlands.

Twee van de drie democratisch gekozen Dichters een doorslaggevend succes, en eentje goed voor heibel. Goeie score, dat kon je dus aan het Nederlandse volk overlaten.

Koningin Beatrix treedt af. De Dichter des Vaderlands zit bij De Wereld Draait Door. „Maak je een gedicht?” vraagt Matthijs van Nieuwkerk. Ramsey Nasr aarzelt, hij weet niet of hij dat zomaar kan.

Het lukt hem. De volgende dag lees ik zijn mystieke ode, met de zinsnede: „ze werd heldere mist”.

Dat uitgerekend na Nasr de keuze voor de vierde Dichter des Vaderlands plotseling werd toevertrouwd aan een clubje fijnproevers is een belediging. Dat heeft hij niet verdiend. En wij ook niet.

    • Joyce Roodnat