Hoe overleef ik de asielprocedure? door Rodaan Al Galidi

Rodaan Al Galidi verbleef negen jaar in asielcentra. Een persoonlijk verhaal over hoe het daar gaat en hoe dat voelt. En ja, zelfmoord komt er wel vaker voor.

The Netherlands, Zwolle, 30-11-2011, Rodaan Al Galidi, schrijver, auteur en dichter van afkomst Irakees. Ingeburgerd Nederlander aan de waterkant. Oever van de IJssel. IJsselbrug. Winnaar literatuurprijs Europese Unie uitgereikt te Brussel. Dutch author and poet of Iraqi decent, at the riverside. photography: Peter Blok Peter Blok/Hollandse Hoogte

De wereld van de asielzoekerscentra* waar ik negen jaar verbleef, is een onbekende wereld. Het heeft zijn geheimen, ongeschreven regels, die de asielzoekers goed moeten kennen, anders wordt het verblijf er moeilijk. In de AZC’s werken meestal aardige, lieve en behulpzame mensen. Ze zeggen altijd dat ze hun werk doen en dat het hun werk is om jouw verblijf in het AZC zo aangenaam en makkelijk mogelijk te maken. Ze komen om acht uur ’s ochtends aan bij de sociale dienst van het AZC en gaan om vijf uur ’s middags weer weg. Op zaterdag en zondag zijn ze vrij. Met een hart vol liefde denk ik aan hen, maar jammer genoeg konden ze niets.

Asielzoekers zijn angstig voor drie dodelijke dingen. Genadeloze dingen. Als de asielzoekers het gif van een van die drie dingen ervaart, wordt hij bang voor zijn eigen schaduw en zorgt hij dat hij geen foutjes maakt. Die drie dingen zijn de IND*, de vreemdelingenpolitie en het gesloten centrum. Ik zal drie voorbeelden geven.

Ik moest me in het begin van de asielprocedure elke dag twee keer melden, daarna een keer per dag en vervolgens een keer per week. Toen mijn vader overleed, meldde ik me die week niet bij het AZC in Ommen. De keer daarop vroeg de vrouw mij waarom ik me vorige week niet had gemeld. „Mijn vader is overleden”, zei ik tegen haar. Ze keek mij aan met een rustig gezicht en zei: „Dat is uw probleem, meneer. U weet dat u zich elke week moet melden.” Zo moest ik me een maandlang elke dag melden, omdat ik een keertje de regels van de IND had overtreden. Waarom ze besloot mij een maand elke dag te laten melden en niet een weeklang of twee weken of drie maanden, dat is haar ongeschreven regel. Ik knikte, omdat ik geen ruzie met haar wilde, want als je met haar te ver ging met discussiëren, zou ze iets anders doen, harder dan een maand lang elke dag melden.

De tweede angst is de vreemdelingenpolitie*. De behulpzame, lieve medewerkers bij de sociale dienst van het AZC probeerden als er iets aan de hand was meestal de asielzoeker te kalmeren. Als hij bijvoorbeeld gek was geworden van het lange wachten, zich verveelde omdat hij al jaren in datzelfde gebouw was of ruzie met iemand anders had. Als het niet lukte hem te kalmeren, zeiden ze hem duidelijk dat ze de volgende keer misschien de vreemdelingenpolitie moesten bellen. Dat noteerden ze dan bij zijn naam. Het woord vreemdelingenpolitie zorgde er vaak al voor dat de asielzoeker rustiger werd. Want hij weet dat de vreemdelingenpolitie weet dat ze niet zomaar gebeld worden. Dan is er een probleem en was het de sociale dienst niet gelukt het op te lossen met praten. Daarom praat de vreemdelingenpolitie niet, maar gebruiken ze hun celletjes, handboeien en als het nodig is ook hun handen.

Op een dag probeerde een Iraakse asielzoeker in AZC De Harne in Harlingen zelfmoord te plegen door zichzelf in brand te steken. Het gebeurde ’s avonds. De receptie belde de vreemdelingenpolitie. Drie mannen bonden de handen van de jongen naar achter vast en vroegen mij mee omdat ik kon vertalen. Ik dacht dat ze ons naar het ziekenhuis zouden brengen, maar ze brachten ons naar het politiebureau in Leeuwarden. We zaten in een grote hal achter de receptie. Ik kon op de klok die er hing zien dat we er inmiddels twee uur zaten. Soms kwam een agent en ging weer. Toen twee agenten binnenkwamen, wilde ik ze vragen of ik als ik niet nodig was, terug kon gaan naar het AZC, maar een van hen zei meteen: „sssshhhh”. Ik dacht dat het een misverstand was en wilde duidelijk maken dat ik daar alleen was om te vertalen. Ik zei alleen het woord ‘luister’, waarna de agent met rustige voetstappen en rustig gezicht naar mij toe liep en met zijn vinger in mijn gezicht zei hij dat hij als ik niet zweeg zijn handen zou gebruiken. Hard greep hij mijn handen en zette ze met plastic strips op mijn rug vast. De jongen en ik werden allebei naar een cel gebracht, waar we met onze handen op de rug gebonden de hele nacht bleven. Ik durfde zelfs niet te roepen dat ik naar de wc moest.

Over het gesloten centrum* in Nederland kan ik een ding zeggen: het is de hel. Als asielzoeker ben je machteloos. Geen paspoort, geen identiteitskaart, geen ambassade. Je hebt niets, behalve je naam en die is soms ook niet eens je echte naam. De redenen om asielzoekers naar gesloten centra te sturen zijn net zo vaag als de lengte van het verblijf. Na mijn asielprocedure ben ik op straat gegooid als uitgeprocedeerd*. Van Enschede wilde ik de trein nemen naar Duitsland waar ik na het eerste kwartiertje in de trein werd gepakt door de Duitse politie. Op het volgende station stond ik buiten de trein met twee politieagenten, die met mij de eerste trein terug naar Nederland namen. Ik smeekte ze om me vrij te laten, maar ze overhandigden me op het station van Enschede aan de Nederlandse vreemdelingenpolitie. Ik werd naar een gesloten centrum gestuurd. Onvoorstelbaar en ongelofelijk wat daar gebeurt. Hoe zal de Nederlandse lezer geloven dat mij in dat verlaten celletje in het gesloten centrum soms werd verteld dat ik morgen klaar moest staan om naar Irak te worden gestuurd, de volgende dag werd gezegd ik naar het AZC zou gaan en de dag erop dat ik misschien vrijgelaten zou worden. Omdat er altijd licht brandde in het celletje, wist ik niet eens of het dag of nacht was. In dat gesloten centrum werd de tijd lange zware eindeloze minuten, zodat ik soms mijn hand tegen de muur kapot wilde slaan van wanhoop. Ik heb het niet gedaan, bang dat ze mijn handen naar achter zouden binden.

In die negen jaar in AZC’s kende en hoorde ik over acht asielzoekers die zelfmoord* pleegden. Het allerbelangrijkste voor ons als bewoners was in zo’n geval, en ook in andere gevallen natuurlijk, dat wij onze monden moeten houden. Dat was ons niet verteld, maar dat wisten wij. Toen op een dag een van de vrijwilligsters uit het AZC een journalist belde om te schrijven over Tahir, een Iranees die zelfmoord had gepleegd, werd de enige asielzoeker die een interviewtje durfde te geven later naar een gesloten centrum gestuurd. De vrijwilligster zagen we nooit meer. Op een dag hing een man zichzelf op na dertien jaar in de asielprocedure. Hij was vijf maanden daarvoor naar ons centrum gekomen. Ik hoorde de vrouw van de sociale dienst tegen wat mensen bij de deur zeggen dat die man alleen vijf maanden in Nederland was. Ik reageerde dat de man al dertien jaar in Nederland was, waarvan in ons centrum vijf maanden. Diezelfde vrouw riep mij later op die dag en zei beleefd: „Eigenlijk is het belangrijk niets te zeggen over andere asielzoekers. U bent in een vrij land, u mag alles zeggen over uzelf, maar niet over andere bewoners.”

Ik wilde haar vertellen dat doden niet praten, maar ik knikte. Liever Guantánamo met rode pyjama, zware kettingen om mijn enkels en een blauwe eindeloze hemel boven mij, dan een celletje in een gesloten centrum of uitzetcentrum in Nederland. Ik meen het. Echt.

    • Rodaan Al Galidi