'Europa heeft Turkije nodig'

De Turkse economie doet het al jaren stukken beter dan die van Europa. Turkije kijkt niet meer zo begerig naar de EU: de verhoudingen zijn veranderd.

Andrea Delellis weet het nodige over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Hij is operationeel manager van de auto-onderdelenfabriek van het Italiaanse Eldor in de Turkse havenstad Izmir. Van de 1.300 Turkse werknemers aan wie hij leiding geeft is 92 procent vrouw. „We doen hier aan seksediscriminatie”, lacht hij. „Vrouwen zijn veel meer gedisciplineerd en ze klagen niet.”

Het hoofdkantoor van Eldor ligt in Orsenigo, ten noorden van Milaan, maar de belangrijkste fabriek is gevestigd in Izmir. Met 4 miljoen inwoners is dat de derde stad van Turkije. Twee jaar geleden heeft Eldor de fabriek fors uitgebreid. Behalve ontstekingsspoelen voor verbrandingsmotoren en abs-systemen maakt het bedrijf nu ook allerlei plastic onderdelen.

In het brandschone glazen gebouw staan lange rijen met productielijnen opgesteld. Om de zoveel machines voert een meisje in een blauw tenue een piepklein deeltaakje uit. Glazen buisjes in een rekje zetten. Of met een aardappelschilmesje de rafels van een plastic onderdeeltje snijden. Het gestamp van de machines maakt praten onmogelijk. Een bord boven de uitgang zegt dat het binnen dertig graden is.

„Mannen vinden het moeilijk om acht uur lang dit werk te doen”, legt Delellis uit. Hij is een van de drie Italianen in de fabriek. „Er komen hier 800 onderdelen per uur voorbij, dat is er elke 4 à 5 seconden één. Na een uur is dat een film geworden. Tijdens het tweede uur vinden mannen een manier om niet meer op te letten, maar te doen alsof.”

De meeste meisjes in de fabriek zijn tussen de 18 en 25 jaar. Sollicitanten die ouder zijn dan 35 vindt Delellis te duur. Als ze langer zijn dan 1,65 meter neemt hij ze ook niet aan. „Dan zijn ze te hoog voor de machines, dan krijgen ze rugklachten.” Voor dikke mensen is het werk te zwaar, vindt hij. Ondanks de eisen is er veel belangstelling voor een baan bij Eldor. „Het salaris ligt hier ongeveer 15 procent hoger dan het Turkse minimumloon.”

Ook voor het bedrijf is de vestiging in Turkije gunstig. „Wij zijn per werknemer per maand 400 euro kwijt aan loonkosten. In Italië zou dat vijf tot zes keer meer zijn, en daar kun je ze niet ontslaan. Okay, in China zou dezelfde werknemer 100 euro kosten, maar dan zit je wel helemaal in China.”

China is een woord dat vaak valt tijdens het tweedaagse programma dat de delegatie van de Europese Unie in Turkije heeft georganiseerd voor Europese journalisten. Doel van de reis is een indruk te krijgen van de economische relaties. De gesprekken over toetreding van Turkije tot de EU zijn jaren geleden gestagneerd, maar er wordt nog altijd geïnvesteerd in het contact.

Vanuit Europees perspectief is toetreding van Turkije altijd een ingewikkelde kwestie geweest: het land is bijna geheel islamitisch, zou de grootste bevolking van de unie krijgen, heeft buurlanden die niet altijd vreedzaam zijn (Irak, Iran, Syrië) en er zijn ernstige klachten over de naleving van de mensenrechten.

Inmiddels zijn de verhoudingen veranderd. Terwijl Europa in een diepe economische crisis verkeert, kent Turkije jaren van bloei. Tal van multinationals en kleinere bedrijven openen er vestigingen, aangetrokken door de lage lonen en de grote groep aan jonge arbeidskrachten. De gemiddelde leeftijd van de Turken is 29. En anders dan de fabriek van Eldor misschien doet vermoeden, werkt maar 30 procent van de Turkse vrouwen. Daar is dus nog een groot arbeidspotentieel te winnen.

Het land presenteert zich graag als alternatief voor China. „Onze beroepsbevolking groeit de komende twintig jaar”, zegt minister van Financiën Mehmet Simsek op zijn ministerie in Ankara. „Samen met de toenemende arbeidsproductiviteit zal dat Turkije de komende dertig jaar een enorm voordeel geven. We concurreren op dezelfde manier als Azië.”

Hij vervolgt: „De afgelopen tien jaar is de omvang van onze economie verviervoudigd. In de komende tien jaar willen we die nog eens verdubbelen. Een groot Turkije is ook beter voor Europa. We worden een betrouwbare en sterke buur. Europa heeft niets te verliezen aan ons lidmaatschap. De angsten zijn gebaseerd op wantrouwen.”

Terwijl Simsek hamert op het belang van toetreding, laat hij ook cijfers zien waaruit blijkt dat Turkije zijn aandacht steeds meer verlegt naar het oosten en het zuiden. In 2002 ging nog 57 procent van de export naar Europa, vorig jaar was dat 38 procent. Vooral naar het Midden-Oosten en Noord-Afrika groeit de export explosief. Vorig jaar ging 33 procent van de uitgevoerde goederen die kant op.

Simsek: „We benaderen het pragmatisch, en economisch gezien is dat logisch. Eerst hadden we een houding alsof we helemaal westers moesten worden, maar dat was alsof we onze andere buren de rug toekeerden. Het was niet rationeel. Nu willen we breder kijken: blijven streven naar EU-lidmaatschap, maar ook onze eigen omgeving herontdekken.”

Voor sommige zakenmensen hoeft het EU-lidmaatschap niet meer zo nodig. „Het kan een democratisch doel van Turkije zijn om lid te worden, maar het economische standpunt is totaal verschillend”, zegt Nihat Gündüz van de ondernemersvereniging van Izmir. „De handelseisen van de EU zijn wel heel erg streng. Als we lid worden kunnen we geen bilaterale handelsverdragen meer sluiten en moeten we meedoen met de sancties die Brussel oplegt aan andere landen, zoals Iran en Syrië. Maar ik wil gewoon zaken kunnen blijven doen met die landen.”

Hoewel Turkse ondernemers en bestuurders blaken van het zelfvertrouwen, zijn er ook zorgen. Turkije heeft door het grote volume aan import een hoog tekort op de lopende rekening. In 2011 kwam dat uit op 10 procent van het bruto binnenlands product (bbp), in 2012 op 7,5 – terwijl economen 5 procent als maximaal houdbaar zien. Het gebrek aan eigen energiebronnen is een belangrijke oorzaak van dit tekort. Een groeiende economie vraagt om meer grondstoffen, maar die zijn duur voor Turkije. Vorig jaar importeerde het voor 7 procent van het bbp aan olie en gas.

Het tekort wordt gefinancierd met kortlopende buitenlandse leningen, wat het land kwetsbaar maakt voor de grillen van investeerders. Op het moment dat bijvoorbeeld een andere opkomende economie in de belangstelling komt te staan, kunnen zij hun geld snel terugtrekken.

Een ander probleem is de grote omvang van de informele economie. Volgens minister Simsek wordt 27 procent van de Turkse productie gemaakt in de informele sector, vooral door kleine winkeliers op het platteland die geen belasting betalen. „Als we dat zouden terugbrengen naar het Europese gemiddelde zou dat omgerekend 20 miljard euro aan belastinginkomsten per jaar kunnen opleveren”, zegt Simsek.

Het gevolg van de gemiste inkomsten is dat de overheid hoge belastingen heft op de delen van de economie waar ze wel grip op heeft. De benzine is bijvoorbeeld even duur als in Nederland. Maar volgens Simsek is dit niet het belangrijkste probleem van de informele sector. „Het staat vooral een duurzame economische groei in de weg. Deze ondernemers hebben nauwelijks toegang tot kapitaal, ze kunnen niet innoveren en hun productie verhogen.”

Toch worden de overheidsfinanciën van Turkije over het algemeen als gezond beschouwd. Het land heeft een lage staatsschuld (35 procent van het bbp) en een laag overheidstekort (1,6 procent vorig jaar).

Doet Europa er verstandig aan om dit land voorlopig niet in de armen te sluiten? Canan Balkir, hoogleraar Europese economische integratie in Izmir, vindt van niet. „Europa heeft ons nodig”, zegt ze. De mening dat Turkije zelf te weinig vaart maakt met onder andere het verbeteren van de mensenrechtensituatie deelt ze niet. Turkije heeft recht op een datum voor de beoogde toetreding, vindt ze. „Hoe kun je van een land verwachten om al deze maatregelen te treffen als er geen concreet doel in het vooruitzicht wordt gesteld?”

Een eenvoudige steekproef onder haar studenten toont aan dat zelfs bij Turken met bovengemiddelde belangstelling voor het onderwerp het lidmaatschap niet populair is. Op de vraag of zij vandaag nog zouden toetreden als dat kon, staken 6 van de 38 studenten in de zaal hun hand op.

Dit is het tweede artikel in een serie over nieuwe groeilanden.

    • Hanneke Chin-A-Fo