Er is alleen nog de Collectie Nederland

Als het advies van de Raad voor de Cultuur wordt opgevolgd, komt er een aardverschuiving in de museumwereld. Musea denken nu nog vanuit eigen collecties en gebouwen. Daaraan komt dan een eind.

Het Nederlandse museumlandschap moet totaal veranderen. Wég met de scherpe scheidslijnen tussen rijksmusea, gemeentemusea en provinciale musea. Uit moet het zijn met de vrijblijvendheid die de samenwerking tussen musea nu kenmerkt.

De Raad voor Cultuur wil de komende vier jaar een aardverschuiving veroorzaken in het museumlandschap, zo blijkt uit het advies Ontgrenzen en verbinden dat hij vandaag heeft uitgebracht. In maart 2012 had toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra (Cultuur, VVD) de raad gevraagd om dit advies over de toekomst van de musea. De bewindsman zegde de contracten met de rijksmusea over het beheren van de rijkscollectie alvast per 2017 op. Op die manier zou het mogelijk zijn om delen van de collectie te herplaatsen als er musea gesloten of samengevoegd moeten worden.

De raad waarschuwt in zijn advies voor de „versnippering”, die het museumbestel nu kenmerkt. Musea denken vooral vanuit hun eigen gebouw en hun eigen collectie. Maar die collecties zijn vaak toevallig tot stand gekomen. En daarbij „lijkt het gebouw soms dominanter dan de inhoud”, schrijft de raad, duidend op de vele miljoenenverbouwingen van museumpanden.

Dat moet veranderen. Er moet niet gedacht worden vanuit het individuele belang van een museum en zijn collectie, maar vanuit een Collectie Nederland. „Het publiek ziet nu minder van de nationale collectie dan mogelijk is”, constateert de raad. Om dat te doorbreken is samenwerking volgens de raad noodzakelijk.

Willen de Nederlandse musea internationaal een rol van betekenis spelen, dan moeten zij ‘ketens’ vormen waarin zij elkaar helpen om meer uit hun collecties te halen. Bijvoorbeeld door meer bruiklenen over en weer en het opzetten van gezamenlijk wetenschappelijk onderzoek. Scheidslijnen tussen rijksmusea en andere musea doen er niet toe.

In elke keten wordt één museum aangewezen dat leidend is. Deze ‘kerninstelling’ kan een rijksmuseum zijn, maar ook een gemeentelijk museum. Voor sommige musea betekent dat een pas op de plaats, als de minister de suggesties van de raad overneemt. Zo wil de raad het Rijksmuseum in Amsterdam wel aanwijzen als kerninstelling voor cultuurhistorie, maar moet het museum met topstukken als De Nachtwacht of Het Melkmeisje van Vermeer die taak als het gaat om oude kunst en kunstnijverheid overlaten aan Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. De raad wil het Rijksmuseum niet te zwaar belasten én wil de taken verdelen „om redenen van spreiding en macht”.

Met territoriumstrijd maakt de Raad voor Cultuur korte metten, ook binnen de overheid. Er zijn rijksmusea die niet vallen onder de begroting van OCW maar onder een ander departement, zoals Buitenlandse Zaken of Defensie. Dat werkt niet, vindt de raad. Alleen als ze allemaal onder OCW gaan vallen kan er samenhangend beleid worden uitgestippeld. Zo wijst de raad er op dat de vorige regering besloten had het erfgoed te ontzien, maar het ministerie van Buitenlandse Zaken met bezuinigingen op het Tropeninstituut daar geheel aan voorbijging.

De raad stelt vast dat er tussen de overheden geen eenheid is in beleid of visie. Dat is geen pleidooi om de lagere overheden hun collecties af te pakken, wel om één wet voor al het erfgoed in Nederland te ontwerpen waaronder álle musea vallen.

In die nieuwe Erfgoedwet moet onder meer staan wat de ‘Kerncollectie Nederland’ is: museale objecten die van nationaal belang zijn, ook al zijn ze misschien in bezit van een gemeentelijk of provinciaal museum. Deze objecten verdienen extra bescherming. Dat kan betekenen dat gemeenten niet zomaar meer delen van hun collectie mogen verkopen. Bij discussies zoals die in Gouda en Rotterdam over de verkoop van stukken uit de gemeentelijke collecties, bleek de ethische code van de musea zelf nauwelijks bescherming te bieden omdat de gemeenten een eigen, ruimere richtlijn hanteren.

Voor Jet Bussemaker (PvdA) is de herinrichting van het museale stelsel haar belangrijkste taak als minister van Cultuur. Dat heeft ze zelf al aangekondigd. Als zij het advies van de Raad voor Cultuur overneemt, kan ze zich opmaken voor stevige discussies.

Allereerst met de musea zelf. In de hoop het raadsadvies te kunnen beïnvloeden, brachten zij afgelopen oktober een eigen advies uit. Daarin stond ook de noodzaak van samenwerken, maar dan op vrijwillige basis. De raad vreest dat die vrijblijvendheid te weinig oplevert en wil samenwerking verplichten.

Grote musea krijgen een taakverzwaring als zij verantwoordelijk worden voor een keten. Ze moeten zich ook verantwoordelijk gaan voelen voor het wel en wee van kleinere musea. Daar komt bij dat ze soms internationale samenwerking belangrijker vinden dan Nederlandse. Denk aan de exposities die het Rijksmuseum en het Mauritshuis het afgelopen jaar aan het buitenland verkochten, waarmee ze extra inkomsten binnenhaalden. Maar ook een museum als het Van Abbe in Eindhoven werkt nauw samen met musea in Antwerpen en Istanbul en het is de vraag of het museum dat wil inruilen voor een partnerschap met het Stedelijk.

Gemeenten blijven voor de lasten van hun stedelijke musea opdraaien, maar hebben minder de lusten. Het lijkt onvermijdelijk dat zij zich niet zomaar zullen neerleggen bij verschuiving van invloed op de musea naar het ministerie. Zo heeft de Raad voor Cultuur het Stedelijk Museum in Amsterdam een belangrijke rol toebedacht in het nieuwe museale bestel, als leider van de keten van musea voor moderne en hedendaagse kunst. Nu is het nog de gemeente Amsterdam die bepaalt welke koers het Stedelijk moet varen. Vanaf 2017 moet het als kernmuseum taken uitvoeren die staan in de nieuwe Erfgoedwet, waar het Rijk als eindverantwoordelijke op toeziet.

Andere ministeries zullen niet zonder slag of stoot hun musea overdragen aan OCW. Nog vorige week verrichtte minister Plasschaert van Defensie de eerste bouwhandeling voor het nieuwe Nationaal Militair Museum in Soesterberg, waarin vier legermusea opgaan. Dat museum kost 160 miljoen euro en moet door zijn focus op heden en toekomst meer als promotie-instrument voor Defensie dienen dan als bewaarder van militair erfgoed. Veel vliegtuigen en militair materieel verhuizen naar het depot, juist tegen de bedoelingen van de raad in.

Bussemaker moet erin slagen voor 2017 alle belanghebbenden achter dit nieuwe museumstelsel te verenigen en een nieuwe Erfgoedwet uit de grond gestampt hebben. Anders komen de musea in een vacuüm, want het ministerie heeft de overeenkomsten voor het beheren van de rijkscollecties immers opgezegd. Vier jaar klinkt lang, maar zou nog wel eens een krap tijdschema kunnen zijn.

    • Daan van Lent
    • Claudia Kammer