‘Debussy mag niet in de diepvries’

In het Muziekgebouw aan ’t IJ brengt Pierre Aimard integraal de 24 préludes van Debussy en de Vingt Regards van Messiaen. „Dit is heel onconventioneel.”

Pierre-Laurent Aimard Foto Bram Budel

Hij is een van de weinige pleitbezorgers van hedendaagse muziek die tevens aan de top staan van het reguliere concertleven. Dit seizoen is de Franse pianist Pierre-Laurent Aimard (Lyon, 1957) artist-in-residence in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Naast een concert met violist Thomas Zehetmair wijdt hij twee solorecitals aan twee van de grootste componisten van de twintigste eeuw. Op een concert met Claude Debussy’s 24 Préludes (1909-1913) volgt in maart een integrale uitvoering van de Vingt regards sur l’enfant-Jésus (1944) van Olivier Messiaen. Liefdevol en uiterst zorgvuldig formulerend spreekt Aimard over deze twee muzikale giganten. „Debussy heeft een nieuwe dimensie aan muziek toegevoegd.”

Hoe zou u Debussy als componist typeren?

„Als een componist van klanken. Hij is de eerste componist bij wie je klank om zichzelf kunt bewonderen. Klank is bij Debussy als het ware geëmancipeerd geraakt, net als kleur in de schilderkunst uit zijn tijd.”

Toch schijn je Debussy geen impressionist te mogen noemen.

„Nee, Debussy haatte het als dat over hem gezegd werd. Zijn muziek is veel meer dan impressionistisch alleen. Sommige preludes zijn zeker heel evocatief, zoals La cathédrale engloutie, waarin je een kathedraal uit het water hoort oprijzen. Maar Debussy had ook een wonderbaarlijk gevoel voor orde en vorm, en veel humor bovendien. Je kunt hem onmogelijk onder één noemer vangen.”

Identificeert u zich, als groot pleitbezorger van Debussy’s muziek, ook met zijn persoon?

„Dat niet, maar ik vind de man wel eindeloos fascinerend. Hij was een heel tegenstrijdig mens, vol van vuur, maar ook met heel zachte kanten. Bovendien liet hij zich moeilijk kennen. In zijn muziek speelt hij voortdurend met dat mysterie. Heel typerend vind ik dat hij de titels van de Préludes niet aan het begin, maar aan het einde van de stukken noteert, en dat nog eens tussen haakjes en steeds met drie puntjes erachter! De titels zijn slechts hints van waar het over zou kunnen gaan, maar het laatste woord wilde hij er bewust niet over spreken.”

Debussy was ook heel anti-academisch. Is het niet juist heel ‘academisch’ de integrale Préludes op een recital te presenteren?

„Het is in elk geval heel onconventioneel. De meeste pianisten spelen op concerten slechts een handvol bekende Préludes, meestal ergens midden in het programma, zodat het niet te veel ‘stoort.’ Mijn doel is het juist Debussy echt centraal te stellen. Ik heb daarom heel bewust voor een integrale uitvoering gekozen.”

In maart speelt u een andere integrale cyclus, Messiaens Vingt regards sur l’enfant-Jésus: extreem statische, mystieke muziek. Hoe wilt u de aandacht van het publiek daarbij vasthouden?

„Dat is inderdaad een enorme opgave, omdat Messiaens muziek stoelt op een heel andere, haast onaardse tijdsbeleving. Hij wilde de eeuwigheid in klank evoceren. Een sleutel om het levendig te houden schuilt, net als bij Debussy, in de klank. Messiaen was een synestheet, die kleuren waarnam als hij klanken hoorde. Het is heel typerend dat hij bij minieme klankverschillen grote kleurverschillen ervoer. Wat voor de gemiddelde luisteraar dus uniform lijkt was voor Messiaen zelf heel gevarieerd. Het is zaak die kleine nuances naar voren te brengen.

Ligt een andere sleutel in het religieuze karakter van Messiaen’s muziek?

„Absoluut. Messiaen was diep katholiek en heeft deze twintig meditaties vanuit een intense geloofsbeleving geschreven. Ik zelf heb dankzij mijn katholieke opvoeding veel affiniteit met zijn muziek. Het is maar zeer de vraag of je Messiaens muziek kunt begrijpen als je er niet met een religieuze invalshoek naar luistert. Maar in het onderwijs wordt tegenwoordig nog maar heel weinig aandacht aan religie besteed, waardoor veel jonge mensen de toegang tot Messiaens muziek ontzegd wordt. Dat is een groot gemis.”

Veel hangt ook af van de verwachting waarmee het publiek een concert bezoekt. Is het niet misleidend om een uitvoering van Messiaens Vingt Regards als een ‘pianorecital’ te bestempelen?

„Ja, dat is zeker misleidend. Het standaard format van een pianorecital is heel strikt afgebakend: meestal wordt het publiek op afwisselende, toegankelijke stukken getrakteerd, als op gangen van een maaltijd. Maar een Messiaen-concert moet je heel anders benaderen. Meer als religieuze meditatie, als een spirituele ontdekkingsreis.”

Is er meer muziek die moeilijk in het stramien van het pianorecital is in te passen?

„Ja, dat geldt voor veel hedendaagse muziek. Dit is pas de vierde keer dat ik een impresario bereid vind een recital met uitsluitend Debussy te programmeren! Maar ook Anton Webern bijvoorbeeld was een absoluut meesterlijke componist. En toch is zijn muziek bijna niet te programmeren. Het is simpelweg te intiem, te elliptisch, te verstild voor de moderne concertzaal. Maar toch speel ik ook Webern wel op concerten, zoals op 2 februari met Thomas Zehetmair. Ik vind toch dat het publiek die muziek moet horen, hoe vreemd het soms ook werkt.”

Is het alleen hedendaagse muziek die botst met het format van het reguliere pianorecital?

„Beslist niet. Wie luistert er met gemak op één avond naar de zes partita’s van Bach? Of naar Beethoven’s Hammerklaviersonate? Of naar de late werken van Franz Schubert? Het is allemaal muziek die eigenlijk niet voor de moderne concertzaal bedoeld is. Maar juist daarom vind ik het belangrijk dit soort stukken toch te spelen, zodat ze niet in de diepvries verdwijnen. Hopelijk dragen mijn concerten in Amsterdam dit seizoen daar iets aan bij.”

Pierre-Laurent Aimard, artist-in-residence Muziekgebouw aan ’t IJ. Concerten: 11 jan. Debussy, Préludes; 2 febr. viool/piano-recital mmvThomas Zehetmair; 27 mrt Messiaen, Vingt regards sur l'enfant-Jésus.