Bubblegum-wiet

We hadden wasabinootjes en ijsthee, en verder lag er een klein plastic zakje met een druksluiting op tafel, gevuld met 20 euro aan Bubblegum. Blijkbaar was er tegenwoordig vanuit de consument behoefte aan een wat gezelliger imago voor wiet – ik herinnerde me van vroeger alleen de soortnamen skunk (grote zwarte capuchontruien met een wietblaadje erop), purple haze (rokerige kamer waar een jongen zonder shirt met een moeilijk gezicht gitaarsolo’s probeert na te spelen) en K2 (berg bezaaid met dode bergbeklimmers). Bubblegum-wiet klonk daarentegen als de drugs van Japanse meisjes met een angorakonijn in hun handtas.

Het idee om een avond te gaan blowen was zomaar ontstaan, onder het mom van ‘hoe was het ook alweer’ en ‘denk aan al die Italianen die met gierende angst in hun hart de wietpasaffaire hebben gevolgd, en wij waren gewoon de hele tijd welkom – dat moeten we niet in de bek kijken’. Het plan gaf ons het gevoel dat we veertigers in een midlifecrisis waren die tijdens een kinderpartijtje verscholen achter de biobak stiekem een stickie opstaken, wat enigszins deprimerend was. Natuurlijk hadden we tijdens onze middelbare schooltijd allemaal weleens wiet gerookt/hasjkoekjes gebakken/geluisterd naar het montere geborrel van een waterpijp. Nu blowde echter niemand meer – we zagen het als het stimulerende middel van viriele rappers, toeristen en de middelbare scholieren van nu (al weet ik dat niet eens zeker: misschien roken middelbare scholieren wel helemaal niets meer. Of roeren ze inmiddels ketamine door hun kartonnetje chocolademelk).

Maar toen ik de joint aangereikt kreeg, dacht ik: wat gezellig, eigenlijk. Een paar vrienden, wasabinootjes, elkaars bacillen delen via een papieren tip. Een prima alternatief voor de flessen goedkope cava die we anders hadden gedronken. Tot het begon te werken. Bij de naam Bubblegum denk je toch: vrolijk en luchtig. Niet: borderline paranoia en enigszins misselijk.

Mijn gedachten verliepen de rest van de avond ongeveer zo: ik heb een droge mond – misschien moet ik wat ijsthee pakken – is dat raar? Is het raar om nu ijsthee te drinken? Is dit een ijstheemoment? – ik kijk nu al heel lang naar de fles ijsthee – iemand gaat zien dat ik al heel lang naar de fles staar en die gaat dan zeggen: ‘wat is er, wil je misschien ijsthee?’ – en dan zeg ik ‘ja’, en dan zegt diegene ‘waarom pak je het dan niet?’ – en dan heb ik geen antwoord – GEEN ANTWOORD! – ik moet nú ergens anders naar kijken! Nú!

En ik dacht: hoe dóén andere mensen dit? Hoe combineren zij wiet en normaal functioneren? Gebeurt het ook weleens dat rappers in een hoekje van hun leren bank kruipen terwijl ze panisch overpeinzen of hun manager misschien expres van hen verloor tijdens dat potje Street Fighter X Tekken? Krijgen toeristen weleens het idee dat de wereld vergaat als ze de Vijzelstraat proberen over te steken? Waarom zeggen mensen dat je hier relaxed van wordt terwijl het zo duidelijk valium en complottheorieën in de hand werkt?

Misschien kon ik er vroeger gewoon wél mee omgaan. Ik hoop in ieder geval dat het later weer goed zal vallen, wanneer ik daar sta, samenzweerderig achter die biobak.