Af en aan

Dus de koningin had haar abdicatie aangekondigd. Of afgekondigd? Kondig je een abdicatie aan of af? Aangezien het woord abdicatie zelf al ‘afkondiging’ betekent, is het misschien sowieso een beetje dubbelop. Hoe dan ook, Beatrix zei dat ze ermee ophield en direct bereikte mij de vraag, van een bezorgde burger: „Waarom wordt het Koningsdag, en niet Koningdag? Vanwaar die s?” Welnu: ik denk dat het een soort genitief-s is: de dag van de koning, de dag des konings, Koningsdag.

Niet echt belangrijk verder, maar ik denk dat de vraag eerder te maken had met een meer algemeen soort paniek, namelijk de paniek voor de verandering. Daar kan ik enigszins in meegaan. Het valt niet te ontkennen dat ‘Koninginnedag’ oneindig veel gezelliger klinkt dan Koningsdag. Swingender ook, want er zit ritme in dat woord. Koningsdag klinkt plechtiger; ik zie een scepter voor me, en een kil paleis met lakeien. Dat lijkt besloten te liggen in het woord, maar ik denk dat het er uiteindelijk op neer komt dat Willem-Alexander en Máxima zich maar drie keer vol overgave in het oud-Overijssels grobbekoekgooien hoeven te storten, of we zijn er alweer aan gewend. Op het moment dat Amalia aan de macht komt, vinden we Koninginnedag weer heel archaïsch en plechtstatig klinken.

Maar zo ver is het nog niet. Nu mogen we ons eerst nog maandenlang verheugen op hoe het gaat klinken als Willem-Alexander voor het eerst ‘leden van de Staten-Generaal’ gaat zeggen. Ik kan me dat nog niet voorstellen als iets koninklijks – hij blijft vooralsnog meer die oudere neef die bij het corps heeft gezeten. („Leden van de Staten-Generaal... Dit is mijn eerste lullepot hier, dus, ehm, politesse!”)

Het goede van een zeldzame gebeurtenis als een troonsopvolging is trouwens: je denkt ineens weer terug aan de vorige keer dat dat zeldzame gebeurde. Toen Beatrix koningin werd, was ik vier. Er werden toen guldens geslagen met de portretten van Juliana en Beatrix erop. „Twee koninginnen”, dacht ik toen. „Dus dáárom heet het Koninginnendag!”

    • Paulien Cornelisse