Yes sir, no sir , zeg je tegen een Amerikaanse agent

Het straatje in Washington waar ik wekelijks doorheen rijd, mag ik niet meer in. Daar kwam ik achter toen een politieauto met zwaailicht een hele rij auto’s, waaronder die van mij, aan de kant zette. Vijfentwintig dollar boete, zei de agent streng. Beduusd wachtte ik langs de weg, terwijl de agent de bonnen uitschreef. Ik wist van niets, zei ik nog. Als u zeurt, zei de politieagent met een starre blik, zal ik er honderd dollar van maken.

Dat is waar ook. De Amerikaanse politie spreek je niet tegen. Het is ‘yes sir’, ‘no sir’, en je betaalt braaf je boete. Geen stadgenoot heb ik ooit de stem horen verheffen tegen een agent. Of de agent nu gelijk heeft of niet, redelijk of onredelijk is: je gaat nooit in discussie.

Vanaf het begin heeft het ontzag van Amerikanen voor de politieagent me verbaasd. Ik woonde hiervoor in Israël, waar een agent ongeveer de status van verkeersregelaar of stadswacht heeft. De keren dat een agent me aanhield, kwam ik er met een beleefde vermaning vanaf.

In Amerika ben ik nu twee keer aangehouden. Vorig jaar reed ik eens te hard door een bocht, op een landweg in South Carolina. De lokale sheriff achtervolgde me met sirenes en zwaailichten. Ik kreeg een boete en een dagvaarding, waarmee ik, zo baste de sheriff, binnenkort voor „rechter Perry” zou moeten verschijnen. Het tijdstip van de zitting stond al op de bon. Omdat ik op tijd betaalde, is me dat bespaard gebleven.

Ik ben een kind van de jaren tachtig. Ik groeide op met de serie The A-Team en keek naar de Police Academy filmreeks. Politieagenten zijn in de Verenigde Staten sukkels, was mijn indruk. Ze komen met gillende sirenes aanrijden, stappen uit en glijden uit over een bananenschil. Misschien, denk ik nu, moesten Amerikanen lachen om deze series omdat ze in het dagelijks leven juist sidderen voor de eerste de beste wijkagent.

Deels heeft het ontzag voor de agent te maken met respect voor het uniform. Treinconducteurs zijn onmiskenbaar de baas in de trein, agenten zijn dat op straat. Maar het komt ook doordat agenten steeds meer lijken op mini-soldaatjes, schreef journalist Al Baker van The New York Times. De aanslagen van 11 september 2001 en de Patriot Act van George W. Bush hebben hun bevoegdheden aanmerkelijk vergroot. Baker, eind 2011: „Gretig kunnen agenten militaire tactieken en uitrustingen overnemen, en meer op soldaten gaan lijken als ze met burgers omgaan.” Gedragen burgers zich ongehoorzaam, zoals tijdens de Occupy-demonstraties, dan aarzelt de politie niet om zware middelen als pepperspray te gebruiken.

De afstand tot de burger wordt zo steeds groter, aldus Baker. En inderdaad: ik heb in Washington op straat nog nooit een agent begroet. Ze lopen je zo voorbij: stoere blik, brede schouders, de wapenuitrusting zichtbaar.

Die afstand kan maar beter zo groot mogelijk blijven, wil je uit de problemen blijven. Het Handboek Strafrecht van Paul Bergman en Sara Berman leert dat praten met een agent alleen maar schadelijk kan zijn. Als je auto wordt stopgezet, schrijven ze, stap dan niet uit. Gris evenmin papieren uit het dashboardkastje. Een agent kan denken dat je agressief bent en zijn wapen pakken.

Niets doen en luisteren naar de instructies van de agent biedt de kleinste kans op escalatie, zo lees ik. Antwoorden moeten kort zijn: No. Yes, I do. De andere automobilisten die deze week net als ik vijfentwintig dollar boete kregen, hadden die les allang geleerd. Zonder een woord te zeggen, accepteerden ze hun bon.

Correspondent Verenigde Staten