Was het Shell, of de dochter?

Vandaag doet de rechter uitspraak in de zaak van vier Nigeriaanse boeren tegen Shell. Multinationals worden steeds vaker aangeklaagd.

Amsterdam. Daar zitten ze dan. Vier Nigeriaanse boeren en vissers in de rechtbank in Den Haag. Ze hebben het machtige Brits-Nederlandse Shell-concern voor de rechter gesleept om schadevergoeding te eisen voor olielekkages. Die zouden hun akkers en visgronden in de Nigerdelta hebben veranderd in een inktzwart spooklandschap. „Als je water drinkt, dan drink je olie. Als je vis eet, dan eet je olie. Als je ademt, dan adem je olie”, zei een van hen na de laatste zitting in oktober vorig jaar. Vandaag wijst de rechter vonnis.

De zaak is een doorbraak. Het is voor het eerst dat een Nederlandse multinational zich thuis moet verantwoorden voor vermeende misstanden (Shell houdt het op sabotage) begaan in het buitenland, door een dochteronderneming. De zaak kan verstrekkende gevolgen hebben voor Nederlandse multinationals in het algemeen. Als de rechter de Nigerianen in het gelijk stelt, volgen er waarschijnlijk meer van zulke procedures.

De zaak past in een internationale trend. „Het gebeurt steeds vaker dat burgers uit ontwikkelingslanden civiele procedures aanspannen tegen moedermaatschappijen van multinationals in het Westen”, zegt jurist Liesbeth Enneking van de Universiteit Utrecht, die in mei promoveerde op het onderwerp. Dergelijke ‘grensoverschrijdende aansprakelijkheidszaken tegen multinationals’, zoals ze worden genoemd, kunnen over allerlei misstanden gaan. Van vervuiling tot betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen.

Gedupeerden stappen in het Westen naar de rechter, omdat het in eigen land vaak onmogelijk is om hun recht te halen. Het rechtssysteem in ontwikkelingslanden is zwak en makkelijk te beïnvloeden door multinationals die vaak nauwe banden hebben met het regime. „Ontwikkelingslanden bieden tegen elkaar op met soepele regels voor bedrijven om investeringen aan te trekken”, zegt Menno Kamminga, hoogleraar internationaal recht in Maastricht.

Multinationals konden decennialang hun gang gaan in arme landen met een zwakke rechtsstaat. Ze verscholen zich achter hun internationale aard: de verschillende dochterondernemingen vallen onder verschillende nationale jurisdicties. Enneking: „Het is een lappendeken van regels, waardoor hun grensoverschrijdende activiteiten in feite plaatsvinden in een juridisch niemandsland.”

Multinationals beteugelen is voor hun opponenten nagenoeg onbegonnen werk. Jarenlang kreeg niemand er vat op, noch via de Verenigde Naties, noch via de Internationale Arbeidsorganisatie ILO, noch via raden van commissarissen. Pas door inschakeling van de rechter lijkt het tij langzaam te keren. De afgelopen tien, vijftien jaar zijn er in het Westen tientallen rechtszaken gevoerd. Onder meer tegen Adidas, Chiquita, BP, Nestlé, Coca Cola en ExxonMobil.

De trend is ingezet eind jaren negentig, in de Verenigde Staten. Aanknopingspunt bood een onbeduidend wetje uit 1789, dat in de vergetelheid was geraakt, maar in de jaren tachtig werd ‘herontdekt’: het Alien Tort Statute (ATS). Op grond van het ATS kunnen buitenlanders voor een Amerikaanse federale rechtbank een civiele claim indienen wegens schending van het internationaal recht. „Het was voor activisten een prachtig middel om mensenrechtenschendingen aan de kaak te stellen”, zegt Enneking.

De trend is sindsdien overgewaaid naar andere thuisbases van multinationals. Groot-Brittannië, Australië, Canada. En nu dus Nederland. Deze landen hebben geen ATS, de zaken worden aangespannen op grond van ‘gewoon’ civiel aansprakelijkheidsrecht.

Eisers worden daarbij geholpen door milieubewegingen of mensenrechtenorganisaties. Een Nigeriaanse boer zal zelf niet snel de weg naar de Nederlandse rechter weten te vinden. Laat staan dat hij de financiële middelen heeft om een jarenlange juridische strijd te voeren tegen een megabedrijf met een leger topadvocaten. In het proces tegen Shell speelt Friends of the Earth (Milieudefensie) een belangrijke rol.

Die hulp gaat niet altijd even subtiel. Slachtoffers worden actief benaderd. Ze figureren vaak in een grotere strijd die milieubewegingen al decennia voeren tegen multinationals. Meestal zonder dat ze dat beseffen. Advocatenkantoren die brood zien in het procederen tegen miljardenbedrijven – als een zaak wordt gewonnen krijgen zij soms wel 50 procent van de claim – doen ook mee.

Multinationals lijkt enige angst ingeboezemd. Knoops vertelt dat zijn kantoor meer aanvragen krijgt van bedrijven die willen weten wat de risico’s zijn van investeren in ontwikkelingslanden en hoe ze die moeten afdekken. Hij verwijst naar de milieuramp in de Golf van Mexico in 2010 waardoor het Britse olieconcern BP miljardenclaims boven het hoofd hangen.

Ook Shell maakt zich zorgen. „Er is duidelijk meer belangstelling voor dit soort zaken”, zegt een woordvoerder. „Onze grootste zorg is dat Nederland zich ontwikkelt tot een paradijs voor schadeclaimadvocaten, tegen de gematigde traditie in Nederland tot nu toe. Wij geloven niet dat dit soort rechtszaken enig probleem daadwerkelijk oplost”, aldus Shell.

Deze zaken bieden inderdaad geen oplossing voor het gebrek aan verantwoording van multinationals. „Uiteindelijk zullen er internationale regels moeten komen om de activiteiten van bedrijven wereldwijd te reguleren”, zegt Enneking. „Maar je ziet hoe sterk de lobby’s zijn.”

    • Toon Beemsterboer
    • Chris Hensen