Vrolijk zingend tegen de bloedige dictatuur

NO. Regie: Pablo Larraín. Met: Gael García Bernal, Alfredo Castro, Néstor Cantillana, Antonia Zegers, Luis Gnecco, Alejandro Goic. In: 22 bioscopen.****

Van één ding kun je op aan bij dictators: wanneer ze een tijdje aan de macht zijn, gaan ze denken dat ze onvervangbaar zijn, dat de huldeblijken en steunbetuigingen aan hun adres niet geregisseerd maar gemeend zijn, dat de burgers hen net zo onmisbaar vinden en liefhebben als zij zichzelf.

De Chileense generaal Augusto Pinochet – in 1973 door een staatsgreep aan de macht gekomen en verantwoordelijk voor duizenden doden, martelingen en massale emigratie – vormde op die regel geen uitzondering. Ook niet toen hij in 1988 een referendum uitschreef over de retorisch bedoelde vraag of hij nog acht jaar als president zou moeten aanblijven.

Zijn zelfvertrouwen was niet geheel zonder grond: economisch was het de Chilenen in de voorgaande jaren redelijk voor de wind gegaan. En wie in Chili – dachten de dictator en zijn paladijnen – zou in ernst kunnen verlangen naar wanorde en politieke onzekerheid? De meer radicale opposanten van zijn bewind zaten toch al sinds jaren in het buitenland.

Dat bleek een misrekening: het ‘nee’ won met iets meer dan 55 procent. De these van NO, de derde film van de Chileense regisseur Pablo Larraín over de recente geschiedenis van zijn land, na Tony Manero (2008) en Post mortem (2010), is dat dit te danken was aan de reclamecampagne in de televisiezendtijd die – omdat dat nu eenmaal zo hoort bij een referendum – mondjesmaat op de late avond aan de voorstanders van het ‘nee’ ter beschikking was gesteld.

In de film is de overwinning in het bijzonder de verdienste van de jonge René Saavedra, gebaseerd op de reclamemaker Eugenio García. Die zag in dat er weinig stemmen te winnen waren met de tv-campagne die Pinochets linkse tegenstanders aanvankelijk in gedachten hadden: veel verontwaardiging over de doden, de martelingen en de verdwijningen waarvoor Pinochet verantwoordelijk was, en een herleving van de linkse retoriek uit de jaren zeventig. Met moeite wist García – in de film mooi gespeeld door Gael García Bernal – zijn opdrachtgevers te overtuigen dat het ‘nee’ slechts door een opgewekte, toekomstgerichte campagne kon winnen: geen gruwelen uit het verleden ophalen, een kleurig logo en veel vrolijke Chilenen die – al dan niet zingend – hoop voor de toekomst uitstraalden, en deze lachend tegemoet gingen.

Die campagne won dus, tot verbijstering van Pinochet en de zijnen. De overwinning was helemaal zeker vanaf het moment dat de aanhangers van Pinochet, in een poging het tij te keren, van hun eigen campagne een angstdroom maakten, vol sombere voorspellingen over de gruwelen die Chili te wachten zouden staan als Pinochet geen president meer was. Positief gestemde luchtigheid overwon, niet met politieke argumenten maar met stemming.

Indrukwekkend is in NO de schildering van een dictatuur in haar nadagen, een sfeer die je voor 1989 ook in Oost-Europa aantrof: de dagen van terreur waren weliswaar voorbij, maar de geïntimideerde samenleving kon zich eigenlijk nauwelijks nog een andere toestand voorstellen; er heerste een zelfopgelegd verbod op denken in alternatieven, omdat die te hopeloos en daardoor pijnlijk waren. Aan die verstikkende atmosfeer draagt niet weinig bij dat NO geheel gedraaid is op het verouderde U-matic homevideosysteem. Het geeft de film iets onhandigs en archaïsch – met een voor hedendaagse ogen lage beeldresolutie en ongewone kleuren. Dit technisch anachronisme werkt vreselijk authentiek: NO lijkt een film uit de jaren tachtig, in plaats van óver de jaren tachtig. Dat versterkt het gevoel bij de toeschouwer dat het maar een haartje had gescheeld, of de slechten hadden gewonnen. Terecht is NO genomineerd voor een Oscar.