Geen Erica Terpstra

Als beginnend verslaggever volgde ik ooit een jaar lang koningin Beatrix. Als zij ergens op werkbezoek ging, hobbelde ik er in de kluwen achteraan. Tussen ons in overenthousiaste burgemeesters en andere hotemetoten, hofdames en de onvermijdelijke medewerkers van de Rijksvoorlichtingsdienst, van wie een me een keer zei dat ik best mijn haren mocht kammen.

Het zou te ver gaan om te beweren dat ik van haar ben gaan houden, maar het respect groeide. Ik zag dat ze echt ontzettend haar best deed om gezellig te zijn op Koninginnedag. En warm en menselijk te doen tegen dementerende bejaarden en de medewerkers van een sociale werkplaats.

Maar ze was geen Erica Terpstra.

Die vindt zaklopen echt leuk en die kan je ook met een gerust hart desnoods een week een sociale werkplaats in sturen. Die blijft knuffelen en haar duimen opsteken en zal honderd keer zeggen dat het allemaal ‘kanjers’ zijn.

Beatrix had een meer zakelijke aanpak. Die wilde echt weten hoeveel conservenblikjes er in een kartonnen doos pasten en zorgde er op subtiele wijze wel voor dat ze niet werd onder gekwijld. Ze at en dronk ook niet alle zelfgebakken troep en kopjes koffie op die ze kreeg aangeboden. Heel verstandig vond ik dat. Tijdens de nationale herdenking ‘Vijftig jaar Watersnoodramp’ raasde er een sneeuwstorm over Zeeland, waardoor de koninklijke bus vertraging opliep. De voorzitter van het welkomstcomité in Ouwerkerk keek op zijn horloge en sprak de vrees uit dat het zorgvuldig geplande programma in het water zou vallen. Een uitspraak waar hij al snel spijt van had. „Ik heb me heel ongelukkig versproken.”

In Ouwerkerk liep ze met haar ministers over de dijk. Aan het eind van de dijk stonden een monument en een verkleumde kunstenaar. Er speelde ook een harmonie, een van de blazers was bevangen door de kou. Hij tetterde niet mee en zat met zijn tuba in een tent. Ze hadden hem een deken om de rug geslagen. De man zei: „We hebben hier twee uur staan wachten.”

In het halletje van het Watersnoodmuseum informeerde de koningin naar de caissons waarmee na de ramp de dijken waren gedicht. Daarna schoot ze het toilet in. Dat stond niet in het protocol.

Alle op elkaar gepakte ministers, burgemeesters, commissarissen van de koningin, journalisten en fotografen keken zwijgend naar de dichte deur. Het gerucht ging dat het kwam door de erwtensoep die eerder die dag was geserveerd. Een medewerker van de RVD zei: „Majesteit heeft zich even teruggetrokken.”

Het duurde en duurde.

Toen de deur weer openging, keek iedereen discreet de andere kant op.

Beatrix zei tegen de museumdirecteur: „U heeft een maquette van het gebied? Die zou ik nu dolgraag willen zien.”

De dag werd afgesloten in een restaurant waar 45 nabestaanden zaten te wachten. De eerste nabestaande opende het gesprek met de mededeling dat ze een zus had verloren bij de ramp. „Die ging op zolder zitten, dat had ze nooit moeten doen.”

Daarna kreeg ze in 45 minuten nog 44 slachtoffers en een onbekende hoeveelheid erwtensoep voorgeschoteld. Zoveel Nederland gun je niemand.

    • Marcel van Roosmalen