Die opgaven zet je niet zomaar in elkaar

Waarom is het maken van een Cito-toets zo ingewikkeld? Vier jaar lang werken er 55 man aan.

1 Waarom ligt er volgende week geen nieuwe Cito-toets op tafel?

Het kost Cito vier jaar om een toets te maken zegt Anja de Wijs. „Dus er is niet zomaar een nieuwe.” De Wijs is projectleider Eindtoets bij Cito en verantwoordelijk voor de inhoud van de toets. Een paar vragen wisselen is ook geen optie, zegt ze. Er zijn wel reservevragen, maar die kun je er niet zomaar ingooien. Dan loop je het risico dat de toets uit evenwicht raakt; dat er meer moeilijke dan makkelijke vragen instaan of dat er meer dt-vragen dan vragen over het voltooid deelwoord in staan.

2 Maar er is toch ook een reservetoets, voor kinderen die dinsdag ziek zijn?

Ja, zo’n toets is er. Maar die wordt digitaal afgenomen. En scholen zijn niet in staat ál hun leerlingen een digitale toets af te nemen.

3 Waarom duurt het zo lang om een Citotoets te maken?

Het is een ingewikkelde klus. Vier jaar werken zo’n 55 mensen aan het bedenken van de vragen. Mensen uit het vak, leraren uit het basisonderwijs, gepensioneerde onderwijzers en docenten van de pabo gaan in groepjes van vier aan de slag. Deze groepjes werken ieder voor één van de toetsonderdelen taal, rekenen, studievaardigheid en wereldoriëntatie. En die onderdelen bestaan weer uit subonderdelen. Voor taal bijvoorbeeld, zijn dat spelling, begrijpend lezen, woordenschat en tekstschrijven. Ook voor elk van de subonderdelen wordt ook weer een groepje gevormd. Zo ontstaan er elf groepjes, die elk worden begeleid door een toetsdeskundige van het Cito.

Het is belangrijk, vertelt Anja de Wijs, dat er verschillende typen mensen in een groepje zitten: creatieve mensen of mensen die juist goed zijn met getallen. En mensen met een verschillende achtergrond, evenveel mannen als vrouwen en uit verschillende leeftijdscategorieën. De leden van de groepjes bedenken thuis vragen. Tijdens bijeenkomsten, die elke vier tot zes weken plaatsvinden, worden de vragen besproken.

4 Wanneer is een toetsvraag geschikt?

Als de vraag niet te makkelijk of te moeilijk is. Dat betekent dat minimaal 50 en maximaal 90 procent van de kinderen de vraag goed moet kunnen beantwoorden. Ook is belangrijk dat de kans op dat goede antwoord toeneemt naarmate de leerling vaardiger is: een opgave mag niet voor iedereen even makkelijk of moeilijk zijn.

De vragen moeten bovendien aan een paar belangrijke eisen voldoen: de opgave moet zo geformuleerd zijn dat kinderen uit groep acht hem begrijpen, alle leerlingen moeten de vraag kunnen beantwoorden ongeacht hun leermethode, het niveau van de vragen moet passen bij het basisonderwijs en leerlingen mogen niet van slag raken van de vragen. Dus bijvoorbeeld liever geen opgave over een overleden opa.

5 Wat gebeurt er met de vragen die geschikt zijn?

De bruikbare vragen worden verder uitgewerkt en samen met oude opgaven die als vergelijkingsmateriaal dienen, worden de opgaven verwerkt tot proeftoetsen. Leerlingen van verschillende scholen nemen zo’n achthonderd opgaven onder de loep. Om te kijken of een vraag goed is, heeft het Cito minimaal driehonderd leerling-antwoorden per opgave nodig.

De proeftoets wordt afgenomen vlak voor de echte toets. We hebben speciaal voor deze groep gekozen, zegt Anja de Wijs, omdat deze kinderen het beoogde niveau hebben én gemotiveerd zijn omdat ze binnenkort de echte toets moeten maken. „Dat levert perfect vergelijkingsmateriaal op.”

6 Na de proeftoets volgt de echte toets?

Nee. De vragen uit de proeftoets die geschikt blijken te zijn, worden een jaar later in nóg een nieuwe proeftoets opgenomen. De Wijs: „We moeten dus een jaar wachten om wéér die juiste groep scholieren te benaderen.”

Tenslotte is een gevarieerde inhoud van gevarieerd niveau met de juiste mix van vragen en onderwerpen nog van belang voor de uiteindelijke versie. Die ligt vervolgens een jaar op de plank, te wachten op een nieuwe groep basisschoolleerlingen.

    • Juliette Vasterman