Zij krijgen hun Unie, wij onze Markt

Politieke integratie en een interne vrije markt staan in de EU niet los van elkaar, zegt Rutger Kaput. Dat moeten Nederland en Groot-Brittannië ook inzien.

In navolging van de Britse premier Cameron in Engeland, pleit een groep Nederlandse academici in NRC Weekend van 26/27 januari voor een referendum in Nederland over de Europese Unie. Een interessant initiatief. Federaliseringsvoorstellen van een dergelijk belang dienen gepolitiseerd te worden. Maar laten we vooral ook niet vergeten wat de aanleiding voor deze voorstellen was: een financiële crisis die vooral is veroorzaakt door de vergaande schaalvergroting en onevenwichtige integratie van een Europese financiële sector waar individuele lidstaten nauwelijks nog grip op hebben. De huidige Europese voorstellen mogen dan onwenselijk zijn vanuit het perspectief van nationale soevereiniteit, ze zijn op zichzelf een logische stap om de balans tussen markt en regelgeving te herstellen. Met andere woorden, een referendum: prima – maar dan wel met zinnige tegenvoorstellen om deze andere kernoorzaak van politieke erosie het hoofd te bieden.

Het burgerforum van Thierry Baudet c.s. wil de onherroepelijke federalisering van Europa een halt toeroepen om de in eeuwen opgebouwde legitimiteit en soevereiniteit van de Nederlandse politiek niet verder te ondermijnen. Dit in reactie op een soortgelijk voorstel van Cameron in Engeland. Maar wat zijn eigenlijk de Britse beweegredenen voor zo’n referendum? Als we even voorbijgaan aan partijpolitieke motieven, zien we de kenmerkende Britse opstelling ten opzichte van Europa terug: wel economische, maar geen politieke integratie. Het eerste is namelijk in het Britse belang, terwijl het tweede de Britse soevereiniteit aantast. Dit was bijvoorbeeld een voorname reden om buiten het politiek gemotiveerde Europroject te blijven. Tot zover is het referendum verklaarbaar en in lijn met de ‘pragmatische’ Britse insteek.

Enige analyse leert echter dat Camerons voorstel weliswaar begrijpelijk is, maar tegelijkertijd een typisch Britse selectiviteit tentoonspreidt. Want wat is nou eigenlijk de aanleiding voor de huidige ronde federaliseringsvoorstellen tot een banken- of zelfs fiscale unie? Niet alleen de problemen binnen het politieke europroject, waar de Britten niks van moesten hebben, maar toch voornamelijk de financiële crisis. Uiteraard heeft de euro met zijn koppeling van feitelijk diep verschillende economieën de zaak verergerd. Maar de feitelijke oorzaak van de crisis is de ineenstorting van een vergaand geïntegreerde financiële sector. Hoewel deze diepe sporen op de overheidsfinanciën heeft achtergelaten, lijken individuele lidstaten nauwelijks nog grip te hebben op de sector. Dit geldt ook voor Groot-Brittannië, dat zich buiten de eurozone bevindt, maar desondanks zijn financiële sector (Royal Bank of Scotland, Barclay’s) met bakken geld overeind moest houden.

Hierin schuilt hem precies de ironie. Want het waren juist de Britten die begin jaren tachtig de hernieuwde Europese integratiediscussie aangrepen om hun eigen politieke initiatief door te drukken: integratie van Europese markten voor goederen, diensten en in het bijzonder financiële markten. Terwijl de meeste hedendaagse aandacht uitgaat naar Delors of de Duits-Franse as in de historische totstandkoming van de Unie, blijft de cruciale Engelse invloed vaak onderbelicht. De eerste palen van Thatchers politieke pet project – de letterlijke schepping van een nieuw Britse financieel stelsel – zaten nog niet in de grond, of ze stuurde in 1984 Lord Cockfield naar Brussel. Die moest als eurocommissaris de weg vrijmaken voor de totstandkoming van een geïntegreerde Europese markt en kwam vervolgens met zijn beroemde White paper. Dit document bevatte honderden voorstellen tot verregaande integratie van de Europese goederen- en dienstenmarkt, met als speerpunt een geïntegreerd financieel stelsel, waar prompt het overgrote deel van werd aangenomen. ‘Zij hun Unie, wij onze Markt’, moet Thatcher hebben gedacht.

In andere woorden, de Europese integratie van goederen, diensten, en vooral financiële markten was een door de Britten omarmde politiek-ideologische doelstelling. De voortdurende crisis in Europa, en de spectaculaire ineenstorting van de financiële markt in geheel Europa – die niet geheel toevallig bij Lehman Brothers in Londen begon – toont aan dat dit politieke experiment niet zonder gevolgen is gebleken. Wat een efficiënte, competitieve en welvaartscheppende markt had moeten worden, bleek uiteindelijk weinig meer dan een enorm uitgedijde schuldkluwen die in handen bleek van een immer kleiner clubje financiële instellingen. Bovendien blijkt dat, hoewel deze schulden overal zwaar op de overheidsfinanciën drukten, de individuele lidstaten nauwelijks invloed hebben op deze op Europees niveau geschapen maar ondergereguleerde bonanza. Dit gegeven, meer nog dan de europroblematiek, vormt de aanleiding voor de huidige ronde unheimische federale voorstellen. Zoals de Britten het zelf zo mooi zeggen: ‘One can’t have a pie and eat it, too.’ De crisis heeft aangetoond dat een grote financiële sector zonder bijbehorende regelgeving tot problemen leidt.

Zo bezien behoeft de stelling van burgerforum-Baudet dat indien „het slechts intergouvernementele coördinatie zou betreffen, vrijhandel op basis van erkenningsregels (...) tot weinig problemen zou hoeven leiden” enige nuancering. Die suggereert namelijk dat de Nederlandse (of Britse) soevereiniteit alleen door de totstandkoming van een Europese superstaat zou worden bedreigd. Feitelijk heeft de Nederlandse financiële sector echter een soortgelijke ontwikkeling als de Britse doorgemaakt: schaalvergroting, internationalisering en oligarchisering; en heeft ook in Nederland de staat moeten ingrijpen om een desastreuze ineenstorting van het financiële stelsel te voorkomen, getuige ING, ABN Amro, Aegon et cetera. Deze concrete aantasting van de Nederlandse legitimiteit en politieke slagkracht is echter niet alleen overeind gehouden, maar lijkt in afwezigheid van enige noemenswaardige inperkingen rustig voort te kunnen bestaan. Een ‘nee’ tegen meer Europa zal op zichzelf dan ook niet de tijd terugdraaien naar die magische ‘naoorlogse’ jaren met lokaal besteed kapitaal en waardevaste valuta.

Kortom, een referendum over de grenzen van de EU: wie weet. Maar dan wel graag in combinatie met een constructieve financiële hervormingsagenda. Krijgen we toch nog waar voor ons geld.

Rutger Kaput is promovendus politieke filosofie aan St Antony’s College, Oxford University.