Voortreffelijke muziek redt Guillaume Tell

Marina Rebeka (Mathilde), John Osborn (Arnold Melcthal), Nicola Alaimo (Guillaume Tell)

Opera

Guillaume Tell van Rossini. De Nederlandse Opera. Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Paolo Carignani. 28/1 Muziektheater Amsterdam. Herh. t/m 18/2. Radio 4: 9/3 19 uur. ***

Wie Rossini’s opera Guillaume Tell (1829) wil uitvoeren, staat voor grote uitdagingen. Een reusachtig en uitstekend koor is nodig om de middeleeuwse vrijheidsstrijd van de Zwitsers tegen Habsburgse overheersing monumentaal vorm te geven. De tenor in de rol van de Zwitser Arnold moet beschikken over heldhaftige hoge c’s en goede Franse dictie. En probeer het clichématige libretto („Dood of de vrijheid!”) maar eens reliëf te geven, zodat tussen zwart en wit nog wat grijstinten verschijnen. Geen wonder dat Guillaume Tell – op de ouverture na – zo zelden wordt gespeeld. Jammer, want in zijn laatste opera komt Rossini met dik penseel tot onweerstaanbaar spektakel.

Voor de langverwachte productie van De Nederlandse Opera en regisseur Pierre Audi kwam er nog een uitdaging bij: een coproductie met de Metropolitan Opera. Dat verhoogt het prestige, maar leidt tot concessies. Het Muziektheater is breed en laag, de Met smal en hoog. En New Yorkers aartsconservatief.

Dus moest decorbouwer George Tsypin compromissen sluiten. Omdat de breedte en diepte van het Muziektheater niet ten volle worden benut, voelen de massascènes krap. De enorme tl-buizen zal men in de Met wellicht gewaagd vinden. Maar zo imposant als de eerdere grand opéra’s van Audi en Tsypin in Amsterdam – Les Troyens (zwevende torens) en La Juive (kathedraalconstructie) – wordt het nu zeker niet.

Houten chaletskeletten en hangende herten laten nog iets aan de verbeelding over. Maar de regie biedt nauwelijks ruimte voor ambiguïteit. Het libretto wordt letterlijk zwart-wit naverteld. Het Zwitserse natuurvolk gaat gehuld in licht linnen, de Oostenrijkers zijn met de zweep zwaaiende sadisten in zwart leer. Over de verboden liefde tussen de Zwitser Arnold en de Habsburgse prinses Mathilde laat Rossini noch Audi enige twijfel: zij zijn goed. De appel die Tell moet schieten is niets meer of minder dan een appel.

In de koorscènes weet Audi prachtige tableaus te bouwen. Maar bij de individuele handelingen lijkt hij soms volledig afwezig, met onbedoeld humoristische gevolgen. Zangers zwalken heftig gebarend af en aan, gezichten zijn permanent verbeten. Waar is de Audi die Wagners Ring zo intelligent regisseerde?

Gelukkig overtuigt de voorstelling muzikaal wel. De Britse tenor John Osborn is geen groot acteur maar legt emotionele nuance in zijn stem – teder verrukt in de liefde, heroïsch in de strijd. Een formidabel uithoudingsvermogen leidde tot enerverend hoge uithalen aan het eind van vier uur opera. Sopraan Marina Rebeka begon wat zoekend maar groeide uit tot een stralende Mathilde. Nicola Alaimo had in de titelrol over meer vocaal gezag en projectie mogen beschikken, maar ontroerde in dialoog met zijn zoontje.

De grootste rol is voor het koor, dat zich fit toonde en vooral indruk maakte als woeste menigte. Dat het klankbeeld zelden dichtslibde was ook te danken aan dirigent Paolo Carignani. Hij benutte de wendbaarheid van het Nederlands Philharmonisch Orkest ten volle, voorzag koorscènes van een dansante onderstroom en gaf zangers meestal de ruimte. Het hemelse slot vol harpgetwinkel kreeg wagneriaanse allure. Hier weken de knullige rotsblokken en stonden de zangers kaarsrecht. Heerlijk.

    • Floris Don