Verse krachten voor de wereldeconomie

Jarenlang waren ze lievelingen van de wereldeconomie: Brazilië, Rusland, India en China. Daar kon de rest een voorbeeld aan nemen. Maar afgelopen jaren presteerden ze beduidend minder. Niemand schrijft ze af, maar als koplopers zijn ze achterhaald door nieuwkomers met een jonge bevolking en een snelgroeiende middenklasse. Eerste aflevering van een serie.

Het voelt als een recessie, zei de Indiase zakenman Ratan Tata onlangs over de tegenvallende groei in India. Het bbp van de derde economie van Azië groeide vorig jaar met 4,9 procent, het laagste percentage in tien jaar. De meeste andere landen zouden er wat voor over hebben, maar India was de laatste jaren cijfers van ronde de 8 procent gewend geraakt. „We moeten een manier vinden om de economie weer echt te stimuleren”, verzuchtte Tata.

Ook de andere drie zogeheten BRIC-landen, Brazilië, Rusland en China, presteerden slechter dan de voorgaande jaren. De oorzaken zijn heel verschillend (zie kaders), en volgens de ramingen zal de groei weer aantrekken, Rusland uitgezonderd. Maar die cijfers zijn niet zo spectaculair als die van het afgelopen decennium. Zijn de BRICs iets van hun glans aan het verliezen?

„De tijd dat de Chinese groei in de twee cijfers liep is definitief voorbij”, zegt Louis Kuijs, hoofdeconoom voor China bij RBS. Dat komt volgens hem vooral doordat het aanbod aan goedkope arbeidskrachten minder snel zal groeien. De meeste plattelandsbewoners die naar de stad wilden migreren hebben dat de afgelopen jaren al gedaan. „In mijn schatting komt de groei in 2015 uit op 8 procent, en in 2020 op 7 procent.”

Niemand schrijft de BRIC-landen af. Daarvoor zijn hun economieën te groot en de cijfers nog altijd te mooi. Maar de gedachte dat de piek in de groei voorbij is, maakt dat bedrijven en beleggers op zoek gaan naar nieuwe groeiwonders. En dat leidt tot een stapel aan lijstjes van analisten die zeggen dat zij het zeker weten.

Jim O’Neill, de voorzitter van Goldman Sachs Asset Management die in 2001 de term BRICs lanceerde, kreeg destijds veel kritiek. Het zou een marketingtruc zijn, om beleggers te verleiden tot investeringen in een groep landen die meer verschillen dan overeenkomsten hadden.

Inmiddels is de term gemeengoed, en voelen de BRIC-landen zelf ook enige onderlinge verbintenis. Ze proberen bijvoorbeeld gezamenlijk een gunstiger verdeling van het stemrecht binnen het Internationaal Monetair Fonds af te dwingen.

Twee jaar geleden stelde O’Neill een nieuwe lijst op: de Next-11. Deze elf (Zuid-Korea, Indonesië, Mexico, Turkije, Nigeria, Egypte, Iran, Vietnam, Bangladesh, de Filippijnen en Pakistan) zijn wat hem betreft de nieuwe groeilanden.

Het belangrijkste criterium is een bevolkingsomvang van minstens 40 miljoen: een grote bevolking die het beter krijgt vormt een aantrekkelijke afzetmarkt. Het patroon waarin de verlangens van toetreders tot de middenklasse zich ontwikkelen is vrij voorspelbaar, zegt O’Neill. Mensen willen dingen die hun buurman ook heeft: een koelkast, een tv, een auto.

Van deze elf landen hebben er volgens O’Neill vier de status van ‘nieuwe BRIC’ bereikt: Mexico, Indonesië, Zuid-Korea en Turkije. MIST, volgens het Engelstalige acroniem. Zij vormen een aparte categorie omdat hun economieën het grootst zijn.

Volgens de bank HSBC behoort het komende decennium toe aan de CIVETS: Colombia, Indonesië, Vietnam, Egypte, Turkije en Zuid-Afrika. „Vergeleken bij de groeiende middenklasse, de jonge bevolking en de hoge groeicijfers van deze landen zijn de BRICs maar suf”, zegt de bank in een strategieadvies.

Dan is er nog het lijstje van Ruchir Sharma, hoofd opkomende markten bij Morgan Stanley Investment Management. Hij heeft zeven „uitbraaklanden” aangewezen: de Filippijnen, Turkije, Indonesië, Thailand, Polen, Sri Lanka en Nigeria. Een goed acroniem is er van deze lijst niet te maken, en er is goede kans dat Sharma de associatie met O’Neill liever mijdt, omdat de twee het op belangrijke punten oneens zijn.

Zo gebruikt O’Neill behalve het bevolkingsaantal een lijstje van dertien indicatoren om groeilanden te selecteren. Hierop staan onder meer inflatie, mate van corruptie en penetratie van mobiele telefonie. Volgens Sharma is het ondoenlijk om in deze mate te generaliseren.

„Niemand kan de precieze mix van redenen vaststellen waarom landen groeien of juist niet”, schrijft Sharma in zijn vorig jaar verschenen boek Breakout Nations. Een uitbraakland is in zijn definitie een land dat een tijd lang snel zal blijven groeien en dat beter doet dan de andere landen in zijn inkomensklasse.

Ook heeft Sharma bezwaar tegen O’Neills nadruk op het bevolkingsaantal. Hij vindt dat daarmee te gemakkelijk wordt aangenomen dat er ook werk voor al deze mensen zal zijn en dat zij er de benodigde opleiding voor hebben. Terwijl omgekeerd een land als Polen te klein is voor O’Neills lijst, maar wel een hoogopgeleide bevolking heeft. O’Neill zei vorige maand dat Polen een goede gegadigde zou zijn, mocht hij zijn Next-11-lijst uitbreiden.

Welke landen gaan het nou echt maken? Wie zich daarin verdiept, ziet eerder een soort groeisoep met lettervermicelli dan een helder overzicht. Wat is de waarde van deze lijstjes als ze zo arbitrair zijn?

„Lijstjes maken een onderwerp snel inzichtelijk”, zegt Fabienne Fortanier, hoofd internationale handelsstudies bij ING. „Een bedrijf kan zich aan de hand van een lijstje afvragen: zouden we daar naartoe moeten? En het kan verrassingen opleveren. Een land dat nog niet bij een bedrijf op de radar stond kan opeens interessant blijken.” Ze raadt lijstjeslezers wel aan om de samenstelling kritisch te bestuderen.

Zelf hanteert ING een lijstje van tien landen waar de import de komende jaren naar verwachting het sterkst stijgt. „Dat is het belangrijkste voor de Nederlandse handelskansen”, zegt Fortanier.

Volgens Jeroen Plag, hoofd internationale relaties bij ING, kunnen Nederlandse bedrijven meer uit de nieuwe groeimarkten halen dan ze doen. Hij is vooral enthousiast over Vietnam en Indonesië. „De groeiende middenklasse van die landen is zo’n ontzettend mooie kans, die mag je niet laten liggen.”

Plag tipt Mongolië, als last frontier van de opkomende markten. De ontginning van de grondstoffenrijkdom komt daar op gang. „Iedereen druppelt er binnen om te kijken wat er te doen is”, merkt hij. Een afzetmarkt zal het met 3 miljoen inwoners niet snel worden. „Er valt voor Unilever niet veel shampoo te verkopen, maar er zit wel voor 1.000 miljard dollar aan koper, goud, olie en andere grondstoffen in de bodem.”

En zo ziet iedereen zijn eigen groeilanden. Verslaggevers van deze krant onderzochten in vijf opkomende economieën wat die landen zo bijzonder maakt. De komende weken kunt u verhalen lezen uit Turkije, Indonesië, Mexico, Polen en Zuid-Korea. Het zijn vier van de meestgenoemde landen, plus Polen, omdat dat in het hart van Europa ligt. In onze soep lagen de letters TIMPS.

    • Hanneke Chin-A-Fo