o, zoete onbereikbaarheid

als kind al bezat ik een zwak voor glinsterkwallen, keizerpinguïns: zwaar en ijl

maar zacht als paleizen stonden ze rechtop in water en ijs, als wachtkamers

op een uitkijk naar binnen – daarom wilde ik worden: koninginnen

eerst juliana, later de dame die full colour over haar heen kwam.

deze, de mantelglanzende ging ik worden: beatrix leek haalbaar in die dagen

ik was vijf, deed mijn best haar geheim te kraken: ’s avonds stond ik in de tuin

sjieke liedjes te neuriën, overdag op de dam wierp ik druiven naar landgenoten

ik struinde kermissen af, stalkte majorettes, tot ik tot mezelf kwam, opgaf.

nu pas, vannacht – net nu ik groot, gelukkig en eenzaam was

nu stond zij daar, een schemer aan het hoofd van mijn dromende lichaam

en links van mij duikelde de zon en rechts begon zij rustig te stormen, oranje

daalde ze over me neer, met alle gloeitristesse die ze had, languit stamelend:

‘wij wilden een slagregen zijn voor onze geliefden, fluisterdauw uitspreiden

over de doden, de jaren alleen wilden wij breken met koele wintervuisten

groene duinen verflensen met zonlicht, kortom: wat mensen doen, wij wilden

kinderen, ouders, een man wilden wij, maar ze werden windstil rondom ons.’

ze toonde mij hoe ze boog en het ging niet: ze werd heldere mist, kou minus hitte

knipte zich los – vannacht lig ik wakker, stuurloos als een wapperend lint.

envoi:

u bent mooi majesteit, soeverein en mooi, nu het verdriet om u heen komt bloeien

u bent mijn eigen aangetaste moeder, diep in haar vermoedde ik uw ijs, uw water

u was mijn jeugd, zoete onbereikbaarheid – en omdat dit mijn laatste verzen zijn

schenk ik ze u, om er onze prinses in terug te vinden: beginnend meisje van vijf.

Ramsey Nasr is Dichter des Vaderlands