Geld en wapens bedreigen de democratie

Waar het kapitaal het laatste woord spreekt, delft de democratie het onderspit. Zegt Jürgen Habermas. Hij krijgt dit jaar de Erasmusprijs.

Jürgen Habermas (83) Foto AP

Het kan bijna geen toeval zijn dat de Erasmusprijs juist dit jaar wordt uitgereikt aan de Duitse filosoof Jürgen Habermas. Met die prijs worden mensen of instellingen geëerd die een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan de cultuur van Europa. Tolerantie, culturele veelvormigheid en kritisch denken zijn er de slagwoorden van.

Juist dat zijn de centrale thema’s in het denken van de inmiddels 83-jarige Habermas, die zich in de afgelopen jaren ook krachtig heeft ingezet voor het welslagen van het Europese project. „Het is nu of nooit”, zei hij ruim een jaar geleden in een interview met Der Spiegel, en sloeg erbij krachtig met de vuist op tafel.

Het was niet voor het eerst dat Habermas zich als filosoof in de publieke discussie mengde. De afgelopen halve eeuw is hij uitgegroeid tot een van de belangrijkste opiniemakers in de Bondsrepubliek en ver daarbuiten. In de Historikerstreit van de jaren tachtig nam hij het op tegen geschiedschrijvers die de misdaden van de nazi’s relativeerden in vergelijking met wat Stalin had uitgespookt. Kort na de aanslag op de Twin Towers waagde hij het te wijzen op het maatschappelijk nut van godsdienst. En nog geen twee jaar geleden verdedigde hij in zijn essay ‘Over de constitutie van Europa’ het ideaal van een verenigd Europa, al laat de democratische legitimiteit daarvan op dit ogenblik in zijn ogen nog te wensen over.

Democratie is dan ook het centrale thema in het werk van Habermas. Sinds hem als zestienjarige bij het einde van de oorlog de ogen opengingen voor de ware perversiteit van het Hitler-regime, is hij hartstochtelijk blijven geloven in het ideaal van een redelijk publiek debat. Hij wijdde er zelfs zijn hoofdwerk aan, ‘De theorie van het communicatieve handelen’ uit 1981, met zijn ruim 1.100 bladzijden meestal kortweg ‘het blauwe monster’ genoemd.

Habermas zette zijn eerste filosofische stappen bij Theodor W. Adorno, een van de leidende figuren in het links georiënteerde Institut für Sozialforschung in Frankfurt. Als de belangrijkste vertegenwoordiger van de tweede generatie ‘Frankfurters’ verbond Habermas de marxistische inslag van dit instituut met een diepe bekommernis om de democratie. In zijn baanbrekende studie ‘Strukturwandel der Öffentlichkeit’ (‘De structurele verandering van de openbare sfeer’) uit liet hij zien dat een democratische grondwet nog niet voldoende is voor een democratische cultuur.

Vrijheid van debat en meningsuiting is de eerste voorwaarde van een democratische politiek, zo is Habermas altijd blijven benadrukken. Anders dan sommige liberale denkers waarschuwt hij daarbij ook voor een te grote invloed van de economische sfeer op de politieke. Beide moeten gescheiden blijven, wil de democratie niet ten offer vallen aan een nieuw soort dictatuur, die niet steunt op de macht van wapens maar op de ogenschijnlijk onontkoombare eisen van de economie.

Vooral tegen die laatste is Habermas de laatste jaren in het geweer gekomen. De politiek heeft haar eigen logica en speelveld, en mag haar oren niet slaafs laten hangen naar wat wordt voorgeschreven door ‘de markten’. Ook de Europese Unie betoont zich in dat opzicht soms te volgzaam, zo hield hij haar voor. Waar het kapitaal het laatste woord spreekt, delft de democratie het onderspit. Zij verliest daarmee niet alleen haar legitimiteit, maar – minstens zo erg – de redelijkheid die volgens Habermas’ hardnekkige overtuiging de vrucht is van het vrije maatschappelijke debat.

    • Ger Groot