Eylea voor dichte deur

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: geneesmiddelen.

Fabrikant Bayer >

Nederland discrimineert door vergoeding nieuw geneesmiddel te weigeren

< Kortgedingrechter

Nederland mag bij vergoeding nieuwe middelen een overgangsregime instellen

Het moest het farmaciebedrijf Bayer een aanzienlijk marktaandeel opleveren, het nieuwe medicijn Eylea, een middel om aantasting van het oognetvlies tegen te gaan. In november kreeg Bayer nog een Europese handelsvergunning om het medicijn daadwerkelijk op de markt te brengen.

Ook in Nederland zou het medicijn beschikbaar komen voor lijders aan maculadegeneratie, een ziekte die het centrale deel van het netvlies aantast, waardoor autorijden, lezen en gezichtsherkenning steeds moeilijker worden.

Maar de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die namens de minister van Volksgezondheid toeziet op marktontwikkeling en prijsregulering in de gezondheidszorg, stak daar een stokje voor. Die autoriteit beoordeelt toelaatbaarheid van nieuwe en vooral dure geneesmiddelen in ziekenhuizen.

Tot januari 2012 konden ziekenhuizen dure geneesmiddelen declareren op basis van zogeheten budgetbekostiging. Dat kwam er in de praktijk op neer dat ze mochten worden voorgeschreven en dat de kosten ervan automatisch extra aan het ziekenhuisbudget werden toegevoegd.

Maar sinds 2012 is het automatisme van die extra budgettering geschrapt, in lijn met het algemene principe dat ziekenhuizen hun medische behandelingen afzonderlijk moeten verantwoorden, om voor financiering in aanmerking te komen. Dat is het principe van de prestatiebekostiging. In plaats van een vast budget per jaar worden ziekenhuizen sinds 2012 apart betaald voor elke geleverde prestatie (het behandeltraject).

Daarbij wordt ook het voorschrijven van dure medicijnen apart beoordeeld. De NZa stelt daar criteria voor vast: past een geneesmiddel in zo’n prestatiebeschrijving? Dure geneesmiddelen die tot en met december 2011 waren toegestaan, mochten voorlopig nog worden voorgeschreven. Nieuwe medicijnen moesten apart worden getoetst.

En daar ging het mis voor Bayer. Want voor Eylea was al een, zij het voorlopig, toegestaan alternatief, Lucentis. De NZa was niet bereid de bekostiging door ziekenhuizen voor de inkoop van Eylea gelijk te stellen aan die van Lucentis van de Zwitserse producent Novartis.

Onrechtmatig en in strijd met het Europees recht, betoogde Bayer eerder deze maand in kort geding voor de rechtbank in Utrecht. Twee gelijkwaardige geneesmiddelen mochten niet zo ongelijkwaardig behandeld worden. Zo was vrije concurrentie tussen geneesmiddelenfabrikanten niet mogelijk en werden het Duitse concern invoerbeperkingen opgelegd bij het op de Nederlandse markt brengen van zijn nieuwe medicijn. Ten voordele van Novartis. Europese regelgeving verbiedt zulke beperkingen, zo betoogde Bayer.

Maar de voorzieningenrechter wees Bayers beroep op dat gelijkheidsbeginsel af. Lucentis stond op die voorlopige lijst van toegestane medicijnen, omdat het een overgangssituatie betrof. En in 2013 oordeelt de NZa of dat medicijn voldoet aan de criteria, of alsnog geschrapt moet worden.

Eylea is pas sinds november 2012 geregistreerd en het is volgens de rechter „niet in strijd met een redelijke beleidskeuze om een overgangsregime vast te stellen en onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe gevallen”.

Er is volgens de rechter ook geen sprake van met Europese richtlijnen strijdige handelsbelemmeringen. Want er worden geen geboden of verboden aan het medicijn opgelegd. En Bayer kan het medicijn gewoon op de markt brengen. De NZa hoeft voor Eylea dus geen uitzondering te maken.

Tips? Mail naar ecorecht@nrc.nl