Eerste divisie vecht tegen slecht imago

Eredivisieclubs vrezen degradatie, topklassers willen niet promoveren. Vandaag praat de KNVB over de toekomst van de eerste divisie.

Het is een gebruikelijke reflex. In de week waarin de KNVB tussentijdse financiële cijfers van de clubs in het betaald voetbal presenteert, rijst de vraag wat het bestaansrecht is van de eerste divisie. „Onterecht en onbegrijpelijk”, stelt Patrick Brand, algemeen directeur van coöperatie eerste divisie (CED). „We zijn na de eredivisie de grootste sportcompetitie van Nederland. Gemiddeld zitten er 4.100 toeschouwers op de tribune, de totaalomzet bedraagt 58 miljoen euro. En de eerste divisie is een kweekvijver van talent. Ik zou absoluut niet concluderen dat het slecht gaat.”

Brand ontvangt samen met operationeel directeur Jelle Beuker op het kantoor van de CED tegenover de KNVB in Zeist. Het tweetal zit vandaag met de directie en de raad van commissarissen van de voetbalbond aan tafel om het toekomstperspectief van de eerste divisie te schetsen. En dat is geen zwartgallig beeld. Al vijf jaar op rij is er een positief bedrijfsresultaat. „Uiteindelijk moeten we toe naar financieel gezond betaald voetbal. Daarvoor hebben we een paar jaar geleden al verschillende stappen gezet. We zien financiële problemen daardoor nu veel eerder aankomen. We kunnen niet meer van de ene op de andere dag worden verrast door een faillissement”, stelt Brand.

Het verdwijnen van AGOVV kwam voor de CED dan ook niet onverwacht. „Zoiets zie je lang aankomen. Dan hoop je te kunnen sturen, maar op een gegeven moment is het niet meer te stoppen”, legt Beuker uit. Neemt niet weg dat het faillissement van de Apeldoornse voetbalclub geen reclame is voor de eerste divisie. Beuker: „Vooral als het voetbal even stilligt, weet je dat de media daar volop aandacht aan besteden. Logisch. Maar toen Dijkse Boys in 2010 uit de topklasse verdween, las je dat nergens in de landelijke media.”

De leiding van de coöperatie eerste divisie wil er maar mee zeggen dat het verschil tussen de eerste divisie en de topklasse groter is dan weleens wordt verondersteld. Brand: „Het gat tussen de top van de eerste divisie en een club uit de topklasse is in meerdere opzichten aanzienlijk. Zo bedraagt het gemiddelde budget in de eerste divisie 3,2 miljoen euro. In de topklasse is dat zes ton. En het toeschouwersgemiddelde zit daar rond de negenhonderd. Als voorbeeld wordt vaak naar de derby tussen IJsselmeervogels en Spakenburg gewezen. Maar dat is dus een verkeerde beeldvorming.”

De realiteit leert dat de doorstroming tussen de eerste divisie en de topklasse nog niet op gang is. Bij de oprichting van de topklasse in 2010 was het idee dat er op termijn een verplichte promotie- degradatieregeling ingevoerd zou worden. Dat moet volgens planning voor het seizoen 2015/2016 zijn geregeld. De gesprekken daarover moeten worden hervat. Nu is al zeker dat aan het einde van dit seizoen geen club uit de eerste divisie degradeert. De vrijgekomen plek van AGOVV wordt dus niet opgevuld. Geen club uit de topklasse wil de stap naar het betaald voetbal maken.

Verschillende clubs hebben onderzocht of promotie haalbaar is, maar allemaal haakten ze af. Zo ook zondagamateurs Achilles ’29 uit Groesbeek. „Het betaald voetbal en het amateurvoetbal zijn twee werelden die vanaf de jaren vijftig uit elkaar zijn gegroeid”, stelt Harrie Derks, voorzitter van Achilles ’29 en de CV Topklasse waarin alle 32 topklassers zijn vertegenwoordigd. De eerste divisie is „een handelshuis voor jonge spelers”, volgens Derks. „Bij Achilles is de gemiddelde leeftijd 25,5 jaar, in de eerste divisie ligt het gemiddelde bijna vijf jaar lager.”

De amateurclubs vrezen dat ze moeilijk kunnen voldoen aan de strengere regels in het betaald voetbal. De KNVB eist bijvoorbeeld minimaal zestien spelers met een fullprofcontract, een hermetisch af te sluiten stadion en de vrijdagavond als speeltijd. Derks van amateurclub Achilles: „De KNVB zou de regelgeving moeten loslaten. Je moet zelf beslissen hoeveel profs of semiprofs je hebt en hoe vaak je traint. Als je niet goed genoeg bent vlieg je er sowieso uit, daarvoor hoef je regels niet tot in het bizarre door te trekken.”

Brand, van de eerste divisie, denkt dat de verschillende regels in de praktijk overkomelijk zijn en stelt dat de profclubs steeds hebben meegedacht met de amateurs. Er ligt een voorstel voor een compensatieregeling voor maximaal twee jaar. „In bijna elk land is doorstroming. Dat maakt het voetbal aantrekkelijk. Dan komt er ook spanning aan de onderkant van de eerste divisie”, stelt Brand.

FC Oss degradeerde in 2010 als eerste en tot dusver laatste club uit het betaald voetbal naar de amateurs. Na één seizoen keerde de Brabantse club terug in de eerste divisie. Mischa Rook, directeur van FC Oss: „Dat bewijst al dat de topklasse niet zoveel beter is dan de eerste divisie. Er zijn een paar clubs die zich kunnen meten in het profvoetbal, maar het niveauverschil blijft groot. Het jaar in de topklasse was leerzaam, maar ook spannend. Het was lang onduidelijk of we het gingen redden, maar het heeft ons wel geholpen realistischer te kijken naar de sanering. Volgens de directeur van FC Oss is het imago van de topklasse „ten onrechte” beter dan dat van de eerste divisie.

Volgens oud-voetballer Rook bestaat ten onrechte het idee dat de topklassers hun financiën beter op orde hebben dan clubs uit de eerste divisie. „Het beeld van de topklasse wordt een beetje vereerd”, stelt hij. „De eerste divisie wordt juist negatief neergezet. De modale salarissen [gemiddeld krijgt een speler 35.000 euro bruto per jaar] worden nu schrijnend genoemd. Nog niet zolang geleden werd altijd gesteld dat voetballers veel te veel verdienen.”

Rook is van mening dat semiprofs prima in het betaald voetbal kunnen functioneren. „Wij hebben een begroting van 1,8 miljoen euro, waarvan een half miljoen voor spelerssalarissen. We hebben achttien contractspelers die betaald krijgen conform de cao. We trainen vijf keer per week ’s middags en spelen op vrijdagavond een wedstrijd. Sommige spelers werken of studeren ’s ochtends, anderen doen er niets naast.”

Volgens CED’er Brand is er in de eerste divisie plaats voor allerlei typen profs: het talent dat wil rijpen, de broodvoetballer en de geroutineerde speler die zich voorbereid op een maatschappelijke carrière. „Zo’n 95 procent van de spelers in de eerste divisie zal na zijn loopbaan ander werk moeten zoeken. Daar is toch niks mis mee? Laten we blij zijn dat er elke vrijdagavond duizenden mensen van ze kunnen genieten.”

    • Matthijs Keuning
    • Koen Greven