Een overvolle kar als rollator

Pia de Jong is met haar man Robbert Dijkgraaf en kinderen

van Amsterdam naar Princeton verhuisd en schrijft daar

wekelijks over.

‘Nee, niet die, maar díé, met de zoetzure smaak.” De enorm corpulente man zit vastgeklemd in zijn rolstoel. Zijn dikke, opgezette benen doen het voetenplankje doorbuigen, zijn armen rusten als zoutzakken op het schakelbord. Zijn vrouw, eveneens moddervet maar nog wel in staat te lopen, hangt achter een overvol karretje, dat tevens als rollator dient. Ze reikt naar het schap en legt drie pakken van de correcte chips bovenop de overvolle kar. Er kan geen dankjewel van af. De man loert alweer naar het volgende item, de dipsauzen. Ik schat het stel ergens begin dertig.

Grocery is afgeleid van het Latijnse woord grossus, dat groot en veel betekent, zo vertelt Dr. Goodword die mij dagelijks een interessant woord mailt. Een grocery is immers een plek waar veel te krijgen is. Maar gross is een woord geworden dat afschuw uitdrukt. „Ew, gross”, zegt mijn dochter als ze ’s ochtends vroeg blootsvoets in de kattenkots trapt.

Voor mijn dagelijkse boodschappen kan ik naar drie supermarkten. De grootste, waar ik bovenstaand stel tegenkwam, is Wegmans. Je vindt er metershoge gangen met louter chipszakken, allemaal supersized. Wij zouden aan één genoeg hebben voor een kinderpartijtje, maar ik vrees dat het dikke stel ze als tussendoortje nuttigt. Je loopt – of rijdt – langs wel vijftig soorten pindakaas, zestig smaken tomatenketchup en vrieskasten vol emmers ijs.

Een andere winkel is McCaffrey’s, vlak bij de school van de kinderen gelegen, zodat ik daar wel eens kom voor een vergeten onsje gehakt. Spreekwoordelijk dan, want onder een pond is niet te koop. Hier is vrijwel iedereen oud en traag. Prijzen worden uitvoerig vergeleken en na enig nadenken wordt er iets in een kar gelegd. Niet gekwakt, zoals bij Wegmans. Bij de uitgang wacht je de geestelijk zwakkere medebroeder, die alles omslachtig in papier of plastic verpakt, terwijl de caissière vrolijk kwebbelt over haar kleinkinderen.

Als laatste is er Wholefoods, eveneens een bakbeest van een supermarkt, maar dan in het segment organisch, gluten- en lactosevrij. Tofu, zeewier, tarwegras, van dat werk.

Vroeger zat er in Roermond op de Singel een reformwinkeltje. Daar ging ik wel eens met mijn vader heen voor een of ander kwaaltje waar de dokter geen raad mee wist. De magere, kale man achter de hoge toonbank verkocht zuiveringsklei voor in- en uitwendig gebruik, stinkende elixers waar je rustig van werd, of juist actief, en naar zwavel stinkende zalfjes tegen hardnekkige wratten. Darmspoelingen deed hij erbij, na openingstijd, achterin de zaak. Diezelfde producten en dezelfde sfeer trof ik bij Wholefoods aan. Voor dezelfde woekerbedragen.

Zondag stond er een interview met John Mackey, de baas van Wholefoods, in The New York Times. ‘De boerenkoolkoning’ stond boven de foto van deze magere vijftiger, die een extreme variant van het veganisme aanhangt. Hoe gaat hij om met het aannemen van personeel, was de vraag. Neemt hij ook dikke mensen aan?

Dikke mensen vermijden is onmogelijk, vertelde hij, in een land waarin 69 procent van de mensen te zwaar is. Maar gezondere mensen geven we hogere kortingen op voedsel. Wel dringen we er zeer op aan dat ‘zieke personeelsleden’ door onze total health immersion gaan. En nee, voegt hij eraan toe, hij is tegen het health care-programma van Obama, daarom stemde hij voor Romney.

Ik weet niet precies waarom, maar deze magere betweter roept hetzelfde bij me op als de reformwinkelier achter de hoge toonbank, vroeger op de Roermondse Singel.

Dr. Goodword zou daar vast het juiste woord voor weten.

    • Pia de Jong