Cameron leidt Europese Unie het doolhof in

Premier Cameron maakte grote denkfouten in zijn rede over de EU. Als doorgaat wat hij wil, dreigt een zwart scenario, vinden E.P. Wellenstein en L.J. Brinkhorst.

Het is teleurstellend hoe oppervlakkig en beside the point de eerste reacties uit Nederlandse politieke hoek op de Europatoespraak van de Britse minister-president zijn geweest. De nadruk kwam direct te liggen op Camerons plan voor een Brits referendum.

Niemand weet nog waarover dat zou moeten gaan en er wordt in Londen pas over besloten na 2015, onder een kabinet van nu onbekende samenstelling en signatuur. Misschien wordt er helemaal geen referendum gehouden als Cameron de volgende verkiezingen verliest. In ieder geval zal het een zuiver Brits besluit zijn – als het wordt genomen – net als het onze over ons referendum in 2005.

Wat de andere lidstaten van de EU ervan vinden en of zij dan ook een referendum organiseren, is irrelevant voor de inhoudelijke beoordeling van Camerons initiatief. Een concreet voorstel is het nog lang niet. Het enige wat vaststaat, is dat Cameron de Europese verdragen wil wijzigen op een zodanige manier dat hij de eurosceptici in zijn partij en in het Verenigd Koninkrijk in een beslissende minderheidspositie kan manoeuvreren. Hij wil daarmee voorkomen dat de Britse publieke opinie afdrijft naar een uittreden uit de EU als een reële politieke optie.

Concrete nieuwe verdragsbepalingen liggen nog niet ter tafel, alleen welluidende ‘principes’, of liever gemeenplaatsen, zoals meer concurrentiekracht en flexibiliteit. Maar die zeggen niets over de gewenste optimale bevoegdheidsverdeling tussen Brussel en de lidstaten.

Om tot een verdragswijziging te komen is niet voldoende dat één lidstaat daarom vraagt. De Raad van Ministers (in de samenstelling van de regeringsleiders) moet met meerderheid besluiten of de ingediende voorstellen zo ingrijpend zijn dat zij een verdragsherziening rechtvaardigen. Als het antwoord ja is, dan wordt een intergouvernementele conferentie bijeengeroepen, die zich daarover moet uitspreken en bij een positief resultaat in alle 27 lidstaten geratificeerd (desgewenst bij referendum) moet worden.

Essentieel is dus met welke voorstellen Cameron zal komen. Daarvan weet ook premier Rutte nog niets. Als hij vanuit Davos laat weten dat hij het met veel van Cameron eens is, maar niet met alles, zegt hij niets inhoudelijks. Hij verklaart alleen (overigens terecht) dat Camerons collega’s hem procedureel de kans moeten geven om zijn voorstellen serieus behandeld te zien worden.

Cameron maakt een denkfout als hij de onderhandelingen daarover voorstelt als besprekingen van zijn land ‘met de EU’, alsof het een vreemde machtsfactor zou zijn. Over iedere verdragswijziging moeten alle lidstaten het uiteraard eens zijn, maar het Verenigd Koninkrijk onderhandelt daarover in de EU en niet met de EU als een soort externe tegenpartij. Dat was wel het geval bij de toetredingsonderhandelingen van meer dan veertig jaar geleden. Maar inmiddels is het Verenigd Koninkrijk al die tijd vol lid en ligt de situatie wezenlijk anders. Kenmerk van de EU is een systeem van geven en nemen, een balans van wederzijdse rechten en plichten. Dat geldt voor ieder land, groot en klein, en is altijd essentieel geweest voor het integratieproces. Zijn uiterste variant van verdragswijzigingen, die alleen het Verenigd Koninkrijk zouden betreffen, is dus bij voorbaat uitgesloten.

Cameron maakt nog een denkfout: het gaat hem vooral om de vrijwaring van de open, vrije interne markt. Maar hij wil dat met veel minder regels uit Brussel en beroept zich daarbij ook op onze premier Mark Rutte. Hij miskent daarbij dat geen van die regels tot stand is gekomen zonder de Raden van Ministers te passeren, in casu veelal de Raad voor Concurrentievermogen (waarvan hij het bestaan overigens niet schijnt te kennen!). Veelal zorgen de lidstaten zelf voor omzetting van Europese richtlijnen in nationale wetgeving die soms ook onnodig bedillend uitpakt. Maar daarvoor is geen verdragswijziging nodig. Dat kunnen de lidstaten zelf in Brussel terugdraaien en dat zou een heel welkome exercitie zijn.

Cameron miskent ook dat veel Europese regels onontbeerlijk waren en zijn om de interne markt vrij te maken van talloze administratieve belemmeringen voor het vrije verkeer. Hij pleit zelfs voor meer Europese regels voor het dienstenverkeer. Bij het uitbreken van de bankencrisis was krachtig ingrijpen op grond van Europese regels (door Neelie Kroes) nodig om vooral Britse banken op Iers grondgebied te vrijwaren van beoogde eenzijdige steunmaatregelen ten gunste van alleen Ierse banken. Het zou bizar zijn als zijn kruistocht voor ‘flexibiliteit’ in de EU zou uitmonden in een minder vrije Europese markt.

Gesteld dat de lidstaten gezamenlijk tot wijziging van de verdragen in de door Cameron bepleite zin zouden besluiten, kan het zomaar zijn dat één van die staten niet tot ratificatie overgaat, bij referendum of anderzijds. Het paradoxale gevolg zou zijn dat dan wordt teruggevallen op de bestaande verdragen en dus ook het Verenigd Koninkrijk formeel meer gebonden is dan ooit gewenst.

De kans dat de EU door toedoen van Cameron in een volmaakt doolhof terecht komt is niet uit te sluiten. Dat zou helemaal het geval zijn bij een negatieve uitslag van het referendum, wanneer in een herzieningsverdrag bereikte, maar beperkte tegemoetkomingen door het Britse electoraat als onvoldoende worden afgewezen. Het is een heel zwart scenario voor de gewenste positieve ontwikkeling van de betrekkingen met de Britten binnen de EU. Het zou daarom goed zijn als onze beleidsmakers de Nederlandse bevolking duidelijk maken waarover het bij Camerons voorstellen inhoudelijk eigenlijk gaat.

Edmund P. Wellenstein is oud-directeur-generaal Commissie van de EG en Laurens Jan Brinkhorst is oud- minister van Economische Zaken