Als ik te lang niks maak, word ik onrustig

Hanna Bervoets’ werk als journalist wilde even niet vlotten. Dus schreef ze haar derde roman. „Eigenlijk is het luiheid.”

Nederland, Amsterdam, 15-01-2013 Hanna Bervoets, Nederlandse schrijfster, journaliste en columniste. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2013

Iets te vaak moest schrijfster en columnist Hanna Bervoets (28) in interviews teruglezen over haar ‘koude’ en ‘kale’ bovenwoning in Amsterdam-Noord. In ieder artikel kwam het weer terug, net als de vele feestjes die ze bezoekt en het feit dat ze is opgevoed door een alleenstaande moeder. Niet dat Bervoets het niet snapt – een journalist zoekt nou eenmaal naar een verhaal, en dit is haar verhaal. Toch besloot Bervoets onlangs geen journalisten meer thuis uit te nodigen.

Je had er genoeg van?

„In het begin deed ik heel veel interviews thuis. Mijn vriendinnen vonden dat raar, maar mij leek het vooral makkelijk. Ik hoefde geen make-up op te doen, kon mijn joggingbroek aanhouden. Maar ieder interview begon met ‘wat woont ze shabby, zo diep in Noord’. Dat is na een paar keer niet meer leuk. En zo raar woon ik ook niet! Toen Eye opende, besloot ik dat dit mijn nieuwe afspreekplek was.”

Maak je je druk over het beeld dat de media schetsen?

„Helemaal niet zelfs. Ik vind het wel grappig dat ze vaak allemaal iets anders zeggen. Ik las onlangs twee interviews terug, in het ene stond ‘in haar columns is ze vrolijk en grappig, in het echt is ze bedachtzaam en een beetje droevig’, in het andere stond ‘in haar columns is ze soms een beetje droevig, maar hier staat een lachende krullenbol bovenaan de trap’. Mooi toch? Het is wel lastig dat het vaak over mijn moeder gaat. Ze vindt het zelf niet erg, al wil ze alleen niet met naam genoemd worden. Dat snap ik.”

Je praat liever niet over je familie?

„Ik vind het niet zo leuk. Al doe ik het, als er naar gevraagd wordt, vaak toch. Iedereen moet een verhaal hebben en bij mij is het verhaal dat ik ben opgevoed door een alleenstaande moeder. Meestal maken ze ervan dat ik zelfstandig ben omdat mijn moeder zelfstandig was, dat is een mooi rond verhaal en daar houden journalisten van. Al weet ik niet of je het zo makkelijk kunt stellen. Wie weet wat een mens vormt. Misschien ben ik wel wie ik ben dankzij mijn genen of waar ik ben opgegroeid, misschien dankzij een taartje dat ik at toen ik jong was.”

Ben je wel het feestbeest waar je door ieder artikel tot wordt bestempeld?

„Ook dat komt vaak terug, ja. En ik lees het nooit terug in de interviews van de mensen die daar ook altijd staan, want ik sta er niet alleen. [lacht] Maar ja, ik vind het niet erg, het is zo. Ik zit de hele dag alleen thuis, in Noord, waar niemand op bezoek komt. Daarom spreek ik vaak af en ga ik naar feestjes. Maar echt niet iedere avond en meestal alleen in het weekend. Ik kan niet werken als ik brak ben en ik heb rust nodig. Als ik drie avonden achter elkaar iets heb, moet ik de dag ervoor én erna echt alleen thuis zijn, om mezelf te herpakken.”

Kun je goed alleen zijn?

„Heel goed. Al heb ik wel steeds meer de drang om samen te zijn. Soms sta ik in m’n woonkamer en dan weet ik dat ik niet in de stad wil zijn, niet wil drinken of dansen, maar ik weet ook dat ik niet alleen in m’n woonkamer wil staan. Wat ik dan wel wil, weet ik niet. Dat had ik twee jaar geleden nooit.”

Is het de leeftijd?

„Misschien. Ik word negenentwintig, maar voor mijn gevoel hoor ik al in kamp-dertig en zeker niet meer in kamp-tweeëntwintig. Dat kamp staat ook altijd op al die feestjes. Ik noem ze de ‘gadgets’. Ik herken mezelf en mijn vrienden echt niet meer in die generatie. Zij weten al precies wat ze willen, dat wist ik echt niet. Toen ik zelf vijfentwintig was, dacht ik dat dertig het eindpunt was. Nu vind ik het wel oké. Veel van mijn vrienden zijn al dertig en ze leven nog steeds. [lacht] Niet dat oud worden niet vreselijk is. Elke verjaardag is weer een jaar dichterbij de dood. Het gaat naar het einde toe en ik wil helemaal niet naar het einde toe. De dood is walgelijk. Niet omdat het leven altijd even leuk is, maar ik leef liever wel dan niet.”

Je bent bang voor de dood?

„Ja, natuurlijk! Ik heb een beetje vliegangst en toen ik dat laatst tegen een vriendin zei, zei ze ‘ach, wat maakt het uit, je gaat toch dood’. Maar dat is het ’m nou juist, ik wil niet dood. Die hobbels maken me niks uit, het gaat me om die dóód. Ik vind het eng. Eigenlijk is het besef dat je doodgaat ook het besef hoe weinig je leven er toe doet. Daar moet je niet te veel over nadenken.”

Waarom schrijf je?

„Vorige week besefte ik pas dat ik voor mezelf schrijf. Al sinds ik schrijf, krijg ik ervoor betaald, dus heb ik het altijd als werk gezien. Maar ik merkte opeens dat ik onrustig was, omdat ik al te lang niks had gemaakt. Pas toen ik aan een verhaal begon, ging het beter. Ik vind het fijn om met andere mensen bezig te kunnen zijn, dan hoef ik niet aan mijn eigen dingen te denken.”

Dat klinkt als vluchten.

„Vluchten heeft meteen zo’n negatieve connotatie, ik word gewoon rustig van iets maken. En schrijven is het enige wat ik kan. Schilderen lijkt me ook heel fijn, maar dat kan ik niet. Ik probeer het niet eens want ik weet nu al dat ik iets maak wat crap is en dat ik dan baal van het uur dat ik heb weggegooid.”

Kun je niet genoeg kwijt in je wekelijkse column?

„Ik schrijf altijd twee weken aan columns en dan twee weken niet. Iedere week een nieuwe column schrijven, kan ik niet. Dan heb je constant die columnistenblik en vraag je je bij alles af of het iets voor je verhaal is. Dat is zo vermoeiend. Daarom wil ik altijd een groot project ernaast hebben.”

Ben je daarom aan je nieuwe boek Alles wat er was begonnen?

„Eigenlijk wilde ik vorig jaar weer wat journalistiek werk gaan doen. Uit de twee jaar dat ik reportages heb gemaakt voor Volkskrant Magazine put ik nog steeds voor mijn boeken. De hoofdpersoon uit Lieve Céline is gebaseerd op een vipspotter die ik ooit volgde. De believers van de Maya-apocalyps die ik vijf jaar geleden interviewde, hebben me geïnspireerd voor mijn nieuwe boek. Ik had wat stukken uitgezet, alleen kwam er niets van de grond – mensen belden af, dingen werden de hele tijd verzet. Dus bedacht ik dit boek. Eigenlijk is het luiheid. Ik schrijf liever een boek omdat ik dan alles kan verzinnen en geen feiten nodig heb.”

Leg je daarom niet uit wat de ‘grote knal’ is waardoor je hoofdpersonen in een schoolgebouw vast komen te zitten?

„Ik heb lang getwijfeld of ik het moest uitleggen, maar als je de knal gaat uitleggen, wordt het heel snel banaal. Uiteindelijk gaat het om de mensen in het schoolgebouw en hoe ze reageren op het idee dat de wereld zoals ze ’m kennen niet meer bestaat.”

Geïnspireerd door programma’s als Expeditie Robinson?

„En Wie is de Mol? Ik heb in mijn leven tweehonderd uur Expeditie Robinson gekeken. Bij Expeditie Robinson denken mensen altijd alleen maar aan dat eiland en de proeven, ik vind het vooral mooi om te zien wat mensen doen om bezig te blijven en hoe er hele subtiele ruzies kunnen ontstaan over rantsoenering. Die dingen heb ik gebruikt.”

Klopt het dat je vooraf alles uitdenkt, behalve de personages?

„Ik zie alles altijd heel erg voor me, hele scènes zelfs, alleen de mensen niet. De personages voel ik. Ik baseer ze meestal op mensen die ik vaag ken en als ik dan een scène heb verzonnen weet ik vanzelf wat de personages zeggen en doen.”

En Leo, de charismatische presentator, heb je op Arie Boomsma gebaseerd?

„Ik had hem inderdaad in m’n hoofd. Maar ik heb Arie losjes als uitgangspunt genomen. Ik ken Arie ook niet goed genoeg om een boek over hem te schrijven. En Leo ontwikkelde zich uiteindelijk tot een heel ander persoon. Dat mensen hem er nu uithalen, vind ik eigenlijk lastig. Het is Arie niet. Straks leest hij het in een interview... Ik ga hem mailen, heb ik besloten. Wat ik dan zeg? ‘Arie, je hebt me geïnspireerd, maar je bent het niet, echt niet.’”

    • Anke Meijer