Aardgas als smeerolie voor de polder

De baten bleken even vluchtig als het aardgas. Waar Noorwegen gasgeld oppot, gaf Nederland de miljarden uit. Tijd om alsnog wat te bewaren?

Bewoners van Loppersum en omgeving werden gisteravond geïnformeerd over aardbevingen door gaswinning in de regio. Foto Kees van de Veen

Sinds de eerste boring op de akker van Kees Boon bij Slochteren, in 1959, heeft de Nederlandse schatkist bijna 250 miljard euro aan aardgasbaten binnengekregen. Voor het lopende jaar rekent minister Dijsselbloem van Financiën (PvdA) op nog eens 12 miljard euro. Aardbevingen in Groningen of niet, aan het belang van het aardgas voor Neder land hoeft niemand te twijfelen.

Al decennia kan het land jaarlijks op miljarden aan gasbaten rekenen. Van de verkoop krijgt de Staat zo’n 90 procent van de winst, de rest gaat onder meer naar Shell en Exxon. De inkomsten lijken vanzelfsprekend. Die 12 miljard gaat op de grote hoop.

Dat doen ze in Noorwegen anders. Daar gaan de olie-inkomsten naar een apart fonds, dat nu bijna 500 miljard euro bevat. Aan dat bedrag mag niemand komen, alleen het jaarlijkse rendement mag worden uitgegeven.

Maar het ontbreken van zo’n fonds in Nederland wil niet zeggen dat de gasmiljarden verjubeld zijn, vindt Aad Correljé, politicoloog en econoom aan de Technische Universiteit Delft. „Die gasbaten hebben in meerdere opzichten als smeerolie gediend. Dat kan je zowel in de politiek als in de economie zien. Ik vind het moeilijk om een algemeen oordeel over die bestedingen te geven: sommige uitgaven waren natuurlijk nuttiger dan andere.” Noorwegen noemt Correljé, ook energiedeskundige bij Clingendael, onvergelijkbaar. „De inkomsten zijn veel hoger, de bevolking is veel kleiner.”

In 2005 becijferde deze krant met emeritus hoogleraar Flip de Kam dat bijna een kwart van de gasbaten op sociaal vlak was uitgegeven. Volgens De Kam heeft Nederland decennia boven zijn stand geleefd. Slechts 15 procent werd in infrastructuur gestoken.

„Ook investeringen in sociale doelen kunnen hun waarde hebben”, zet Correljé daartegenover. „Dat speelde vooral in de jaren 70 en begin jaren 80. Je zou kunnen zeggen dat door die extra financiële mogelijkheden het Akkoord van Wassenaar mogelijk is geworden.” Dat Akkoord tussen politiek en sociale partners werd de basis van het Nederlandse poldermodel.

Al bij het begin van de boringen was de vraag of de baten niet in een apart fonds moesten worden gestoken. Oud-minister van Financiën Piet Lieftinck was hier in de jaren 60 al pleitbezorger van, om „investeringen op een hoger peil te brengen” in plaats van „de consumptie te versterken”. Maar minister Jelle Zijlstra was tegen, hij dacht dat zo’n fonds alleen maar zou leiden tot extra overheidsuitgaven

In 1995 komt het er toch: het Fonds Economische Structuurversterking, waarin slechts een deel van de aardgasbaten belandt. Eerst worden daaruit investeringen in infrastructuur betaald, zoals de Betuwelijn, tien jaar later steekt het FES ook geld in de ‘kenniseconomie’. In 2011 maakt het kabinet-Rutte I een einde aan het FES, omdat „het geld projecten zocht” in plaats van andersom.

Het is nog niet te laat om voor de Noorse aanpak te kiezen, betoogde een lid van de jongerendenktank G500 onlangs, nu circa een derde resteert van de oorspronkelijke gasvoorraad. Maar als al het aardgasgeld naar een fons gaat, levert dat het Rijk dit jaar een extra tekort op van 12 miljard. En daar hebben de meeste politici net even geen behoefte aan.

    • Erik van der Walle