Zigzaggen om een peuk

Het kabinet heeft vrijdag besloten de Europese Unie te steunen in haar streven om in alle lidstaten op pakjes sigaretten foto’s te plaatsen die waarschuwen voor de risico’s van roken. Prima. Uit oogpunt van volksgezondheid is het aanbevelenswaardig om met voorlichting roken tegen te gaan. Of de foto’s ook helpen, dat is afwachten. Hetzelfde geldt voor het voornemen in de conceptrichtlijn om straks aantrekkelijke geur- en smaakstoffen in tabaksproducten te verbieden.

Maar een deel van de Tweede Kamer wil nog een stap verder gaan, of misschien is een stap terugzetten hier een betere uitdrukking. Zigzaggen is eigenlijk de beste omschrijving.

Roken werd in de horeca eerst een tijd uitgezonderd van het algemene verbod van tabaksgebruik in de openbare ruimte, vervolgens kwam dat verbod er toch, daarna kwam er een uitzondering voor kleine cafés en voor horecagelegenheden met een afgesloten rookruimte, die aan allerlei eisen dient te voldoen.

Het gevolg is dat het in veel kroegen nog altijd is toegestaan om het vuur in sigaret, sigaar of pijp te jagen. Tot tevredenheid van de rokers, die evenwel opnieuw reden voor onrust hebben.

Want een flink deel van de Tweede Kamer wil nu toch weer een einde maken aan de gedoogzones in de horeca. Een politieke meerderheid komt er mogelijk dankzij een ommezwaai van het CDA. De partij stemde eerder in met de uitzonderingsbepalingen voor het rookverbod ten tijde van de coalitie die zij in het kabinet-Rutte I met de VVD vormde en die de steun nodig had van de PVV.

Dat blijkt een concessie van het CDA te zijn geweest en nu de partij in de oppositie zit, voelt ze zich vrij om zich er niet langer aan te houden. Van veel ruggegraat getuigt het een noch het ander. Maar dat het prettig stoken is tussen de nieuwe regeringsfracties VVD (tegen een algeheel rookverbod in de horeca) en PvdA (voor), zal meegenomen zijn.

Het is wel moeilijk te verteren dat ondernemers in de horeca de dupe dreigen te worden van deze Haagse wispelturigheid. In de praktijk leken de problemen toch aardig opgelost. Verstokte rokers deden er verstandig aan cafés te mijden die het roken overal verbieden. En de anti-rokers voor wie ook de nabijheid van een rookruimte onverdraaglijk was, bleven liever weg uit zo’n etablissement.

Dat ‘meerokers’ niet de dupe horen te zijn van het gedrag van hun paffende medeburgers, lijdt geen twijfel. Dat roken ongezond is; het is genoegzaam bekend. Dat menige roker de gevaren voor lijf en leden op de koop toeneemt, ook na opeenvolgende verhogingen van de tabaksaccijns, is niettemin een feit. Met opportunistisch paternalisme lost de politiek dat niet op.