Volewijck

‘Hoe was-ie?” was de eerste vraag van mijn vrouw toen ik zaterdagavond thuiskwam.

Met ‘ie’ werd Diederik Samsom, de leider van haar politieke partij, bedoeld. Ik voelde weinig behoefte om te antwoorden, omdat ze zelf het antwoord geweten had als ze ’s middags was meegegaan. Het was toen weliswaar bar slecht weer geworden – hoog opwaaiende stuifsneeuw, kruiend ijs en snijdende poolwind – maar dat mag toch geen beletsel zijn als je je partijleider kunt bewonderen in buurthuis De Volewijck in Amsterdam-Noord? Het is daar toch geen Nova Zembla, ook al lijkt het er met zulk weer wel een beetje op?

Zo kon het gebeuren dat ik als eenzame poolreiziger de tocht naar het barre noorden moest aanvaarden.

Nee, dan Samsom zelf! Ik had net moeizaam de rulle sneeuw van de Van der Pekstraat achter me gelaten – sneeuwruimen is een bezigheid waar in Amsterdam-Noord de doodstraf op staat – toen ik hem al in het vizier kreeg. Hij stond met een groepje PvdA’ers voor een geïmproviseerde koek-en-zopie-kraam die bij het buurthuis was opgezet. En hij droeg geen hoofddeksel. Wie bekend is met zijn kapsel, weet wat dit betekent. Hij lachte er ook nog bij, bijna even breed als anders. Kun je van de kou acute hersenvliesontsteking krijgen? Ik wist het niet, maar ik zag de krantenkoppen al voor me: ‘Vriesdood PvdA-leider in de Van der Pekbuurt’.

Binnen monsterde een multicultureel gezelschap van Volewijckers hem met gespannen verwachting. Hier kwam niet elke week een PvdA-coryfee langs; vandaag waren het er zelfs twee, want de nieuwe Amsterdamse wethouder Pieter Hilhorst was meegekomen.

Samen hadden ze in de buurt gecanvast, een mooi woord voor aanbellen bij iemand die daar niet om gevraagd heeft. De communicatie was hier en daar dan ook enigszins stroef verlopen, maar er waren ook bewoners geweest die de PvdA-autoriteiten meteen gastvrij in hun hart hadden gesloten. Een groep moslimmeisjes had, volgens Hilhorst, zelfs verrast geyelld: „Samsom! Samsom!” Samsom glimlachte bescheiden toen de wethouder deze anekdote op het podium vertelde.

Aan het slot van de bijeenkomst beantwoordde Samsom enkele vragen uit het publiek. Mijn vrouw zou ervan hebben genoten. Hij deed het duidelijk en sympathiek, op de toon van een begripvolle vader die zijn oudste zoon geduldig toespreekt. De jongen is van goede wil, maar hij is nog te veel een dromer, het wordt tijd dat hem een paar feiten over de harde werkelijkheid worden verteld. Er komen zware tijden aan, jongen, maar als we allemaal de schouders eronder zetten en de lasten eerlijk verdelen, dan redden we het wel.

Een enkele oudere Volewijcker begon nog wat te zeuren over kortingen op pensioenen en eigen huizen die moesten worden opgegeten als je naar het bejaardentehuis wilde, maar Samsom bezwoer hem dat hij bij schrijnende gevallen hoogstpersoonlijk zou ingrijpen. Gerustgesteld gingen de bezoekers heen.

„En, hoe was-ie nou?” vroeg mijn vrouw weer, ongeduldig nu.

„Hij deed het goed”, zei ik, „maar ik zal me van deze middag iets anders blijven herinneren. Toen het afgelopen was, liep ik daar de hoek om en kwam op het Lupineplein terecht. Ik kende het niet. Het was een carré van lage, fraai opgeknapte arbeidershuisjes met blauwe deuren. In het midden een plantsoen met bomen. Alles was bedekt met sneeuw. Geen mens te zien. Het was doodstil. Hier waren woorden overbodig geworden.”

    • Frits Abrahams