Schaker Carlsen moet het ook van fysieke kracht hebben

De Noor Magnus Carlsen won opnieuw het Tata Steel-toernooi. De Noor lijdt het leven van een topsporter en piekt op het juiste moment.

Door

Een groot kampioen wint een groot toernooi nooit zo maar. Aan het slot van het 75ste Tata Steeltoernooi mocht Magnus Carlsen zwelgen in de imposante statistieken. Voor de derde keer won de Noor de hoofdgroep in Wijk aan Zee en nog nooit was zijn puntenaantal zo hoog. Met 10 punten uit 13 partijen evenaarde hij de score waarmee Garry Kasparov in 1999 het veld verpletterde. Dankzij die score krikte Carlsen zijn rating op tot 2872, een hoogte waar nog nooit iemand is geweest.

Toch was de eeuwige maximalist niet helemaal tevreden. Breed lachend nam hij alle felicitaties in ontvangst, maar hij gaf ook toe dat een stemmetje in hem bleef zeuren waarom hij er in de laatste ronde niet in was geslaagd om op winst te spelen. „Maar dat stemmetje gaat over een paar dagen wel weg. Ik heb niets om te klagen, het was optimaal. Alle partijen waarin ik kansen kreeg, won ik. De partijen waarin ik moeilijk stond, maakte ik remise.”

Carlsen stelde de eindzege al een ronde voor het einde veilig met een overwinning op Hikaru Nakamura. Een pijnlijke nederlaag voor de Amerikaanse kampioen, die altijd dubbel gemotiveerd is wanneer hij tegen de nummer één van de wereldranglijst speelt. Carlsen keek tevreden toe hoe zijn ambitieuze tegenstander zichzelf voorbijliep en concludeerde laconiek: „Zijn spel was eerder origineel dan goed.”

Op de slotdag kwam hij niet verder dan remise tegen Anish Giri. Dat kon moeilijk een tegenvaller genoemd worden, want de Nederlander had geruime tijd terecht het gevoel dat hij zo goed als gewonnen stond. Volgens Carlsen wekte Giri de indruk dat het vrij laat tot hem was doorgedrongen dat hij een toernooi aan het spelen was. „Pas in de laatste drie ronden liet hij zijn ware niveau zien. Gelukkig had ik nog voldoende trucjes om remise te maken.” Met die remise eindigde Giri gelijk met Loek van Wely. Beiden hadden weinig reden om trots te zijn op die gedeelde achtste plaats, hoewel Van Wely kon aanvoeren dat hij met vier overwinningen en vijf nederlagen voor het nodige vertier had gezorgd.

Een belangrijke pijler onder Carlsens succes was het engelengeduld waarmee hij in ogenschijnlijk gelijke stellingen naar zijn kansen bleef zoeken. Dat lukt hem voor een deel door zijn fysieke kracht. Carlsen zou nooit zo hebben kunnen uithalen als hij niet topfit was geweest. Ook na de langste partijen stond hij monter op.

De voorzitter van het Noorse Olympische comité, Børre Rognlien, koos vorige maand een ongelukkig moment om zijn mening te ventileren dat schaken geen sport is. Volgens hem kost het weinig kracht om schaakstukken over het bord te schuiven. Of hij een punt had deed niet ter zake, hij zei het vlak nadat Carlsen in Londen het ratingrecord van Kasparov had gebroken. Dat feestje had Rognlien niet moeten bederven en verontwaardigde reacties waren zijn deel. Meteen daarna werd Carlsen door de Noorse kranten Dagbladet en VG uitgeroepen tot sportman van het jaar. Carlsen zelf wil zich niet mengen in een discussie waar hij het nut niet van inziet. Of schaken een sport is mag iedereen voor zichzelf bepalen. Hij leidt in ieder geval wel het leven van een topsporter die er alles aan doet om op het juiste moment te pieken.

De grote uitdaging die nu wacht is het kandidatentoernooi in Londen. Als Carlsen niet alleen de beste wil zijn, maar ook wereldkampioen, zal hij daar moeten winnen om een WK-match tegen Vishy Anand te verdienen. Hij beseft de gevaren nu hij torenhoog favoriet is en wil nog perfecter gaan spelen. Zijn vader Henrik, die vaak met hem meereist, denkt ook niet dat overmoed op de loer ligt: „Magnus is altijd enorm geïnteresseerd geweest in de grenzen van zijn mogelijkheden.”

    • Dirk Jan ten Geuzendam