Kringgesprek tegen de trauma's

In kampen voor vluchtelingen verkeert de helft van de mensen in psychische nood. Dat zijn er zoveel dat individuele therapie weinig zin meer heeft. Groepstherapie werkt wel, blijkt uit onderzoek.

Photos of victims of the 1994 Rwandan Genocide hang in the Kigali Genocide Memorial in Kigali, Rwanda on April 7, 2012. In the quickest and bloodiest massacre since the Holocaust, the 1994 Rwandan Genocide claimed approximately 800,000 mostly Tutsi lives in the span of 100 days. AFP PHOTO/STEVE TERRILL AFP

Medewerker Wetenschap

Rwanda, een paar jaar geleden. De vrouw was weduwe en was door haar verkrachter besmet met hiv. „We hadden buiten afgesproken”, vertelt psychiater Pim Scholte. „Maar het regende, dus ik nam haar mee naar een stadion, voor het interview. Daar is mijn man afgeslacht, wees ze. En daar hebben ze mijn kind afgepakt.” Scholte schaamde zich voor zijn locatiekeuze en vroeg waarom ze door wilde met het gesprek. „Omdat jullie groepssessies mij zoveel goeds gebracht hebben, zei ze. Ik doe weer mee in de maatschappij.”

De groepsgesprekken waar deze weduwe zo blij mee was, zijn een nieuwe aanpak van oorlogstrauma. Scholte promoveerde er vrijdag op bij de Universiteit van Amsterdam. „Tot in de jaren negentig werden in oorlogsgebieden slachtoffers met een psychiatrische stoornis behandeld met individuele therapie”, vertelt hij. „Maar wij richten ons niet op specifieke stoornissen, maar op het versterken van de sociale binding in een gemeenschap.” Dat is praktischer en wellicht effectiever, volgens Scholte, werkzaam bij de Arq Psychotrauma Expert Groep en het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam.

Uit Scholtes eigen onderzoek in 1995, vlak na de genocide in Rwanda, bleek dat de helft van de Rwandese vluchtelingen in kampen ernstige psychische problemen had. In vele andere conflictgebieden werden vergelijkbaar hoge aantallen gevonden. Te veel om iedereen één op één te behandelen. En ook niet iedereen heeft individuele therapie nodig. Scholte: „Verklaar je elke vluchteling in psychische nood ziek, dan medicaliseer je een sociaal probleem. Dat veel vluchtelingen last hebben van somberheid, angst of slapeloosheid is logisch. Ze hebben veel geweld meegemaakt en leven in sociaal deplorabele omstandigheden, zonder vertrouwde mensen, bezigheden of toekomstperspectief. Maar als die omstandigheden verbeteren, dan verdwijnen veel van de klachten. Dáár moet hulp zich dus op richten.”

Scholte introduceerde de methode in 2005 in Rwanda met de Equator Foundation, waarvan hij directeur is. De methode is afgeleid van een behandelprogramma voor vluchtelingen in Nederland. Mensen komen in groepjes van tien tot vijftien bijeen, vijftien weken lang een halve dag per week, met een lokaal getrainde vertrouwenspersoon. Er wordt gesproken over thema’s als vertrouwen, zorgzaamheid en gemeenschapszin.

Scholte geeft een voorbeeld: „In Rwanda worden verkrachte vrouwen veracht en gemarginaliseerd. De groep bediscussieert dan hoe redelijk het is om een vrouw die al zo geleden heeft maatschappelijk buiten te sluiten.” Mensen voelen volgens Scholte feilloos aan hoe pijnlijk en compleet onhanteerbaar de meeste herinneringen zijn. „Dus bij een weduwe gaat het over leven zonder man, niet over hoe hij vermoord is.” Ook helpen deelnemers elkaar met praktische dingen, zoals elkaars land bewerken. En ze krijgen uitleg. Scholte: „Veel niet-westerse mensen weten niet hoe heftige ervaringen fysieke klachten kunnen geven, zoals hoofdpijn, achterdocht of prikkelbaarheid. En dat afleiding helpt.”

Scholte bekeek de geestelijke gezondheid van ruim zeshonderd mensen in Rwanda, met een korte, veelgebruikte vragenlijst, de Self Reporting Questionnaire-20. Voor het onderzoek werden zo’n tachtig proefpersonen geïnterviewd en honderd mensen voor een controlegroep. Het mentale welzijn van deelnemers bleek acht maanden na de groepsbijeenkomsten significant beter dan dat van de controlegroep. De verbetering was het grootst bij vrouwen en bij deelnemers die vóór de sessies de meeste klachten hadden.

In elke groep zitten enkele mensen die alsnog individuele therapie nodig hebben, erkent Scholte. En hoelang het effect van de groepsbehandelingen aanhoudt, is niet bekend, evenmin als het precieze werkingsmechanisme.

Scholte: „In het veld is men het erover eens dat je hulp beter op de gemeenschap kunt richten dan op individuen. Maar er was nul bewijs dat dat werkt. Nu is voor het eerst wetenschappelijk aangetoond dat een voor iedereen toegankelijk, psychosociaal programma het mentale welzijn verbetert.”

Sinds het onderzoek hebben in Rwanda meer dan tienduizend mensen meegedaan. Het programma loopt nu ook in Burundi en Congo.

Het belangrijkste effect vindt Scholte dat mensen weer het gevoel hebben onderdeel te zijn van een gemeenschap. „In landen als Rwanda leven daders en slachtoffers vlak naast elkaar. Je woont tegenover de moordenaar van je kind of de verkrachter van je moeder. Overal speelt een diep wantrouwen en terughoudendheid. Nu ontstonden voor het eerst weer gesprekken, boden mensen elkaar hulp, en aanváárden die ook.”