Ik vecht mee

Vrouwen moeten gewoon kunnen meevechten, vindt het Amerikaanse leger nu. Dat ze niet aan het front actief zijn, ligt niet aan hun vechtkwaliteit. Het is alleen lastig om ‘gemengde’ eenheden te hebben.

Scandicci (Florence), February 2009 - VII R.A.I. Military Training Camp - The Alessandro Imbriaco - Fabio Se>

Medewerker Defensie

Kúnnen vrouwen wel vechten? Die vraag kun je opwerpen nu het Amerikaanse leger vrouwen gaat toestaan om aan het front te vechten.

Als je kijkt naar de geschiedenis krijg je een ander antwoord op die vraag, dan wanneer je de vraag stelt in een gemiddelde sportkantine of in een buurtcafé. Dat vrouwen wereldwijd zo traag in gevechtseenheden worden opgenomen, ligt vooral aan de mannen zelf.

De vrouwelijke strijders uit de klassieke oudheid, de Amazonen, zijn mogelijk alleen mythische figuren, net als de naamgeefsters van de grootste rivier van Zuid-Amerika. Maar de krijgshistorie is vergeven van de échte voorbeelden van feminiene vechtlust, ijzervretende furies.

Franse koloniale soldaten viel, bij de verovering van het West-Afrikaanse koninkrijk Dahomey in 1892, de mond open van verbazing over de strijdlust en discipline van een vrouwelijk, zwart keurcorps van de koning.

Duitsers vreesden aan het Oostfront, toch al geen rustgevend oord, het invallen van de duisternis, uit angst voor luchtaanvallen van De Nachtheksen. Achter de stuurknuppel van de Polikarpov-tweedekkers waarmee de eenheid vloog, zaten louter vrouwelijk vliegers, vrouwelijk grondpersoneel laadde de bommen en reviseerde de motoren.

Dat vrouwen kunnen vechten, lijdt dus geen twijfel, zij het dat ze sommige fysiek veeleisende taken, zoals achter de vijandelijke linies rondrennen met 50 kilo uitrusting op de rug, beter aan mannen kunnen overlaten. Die zijn daartoe nu eenmaal lichamelijk iets anders, beter geëquipeerd.

Overigens, ondanks dat verbod in de VS, móésten Amerikaanse vrouwen allang vechten. Conflicten als in Irak en Afghanistan heten ‘non-lineair’: operaties zijn complex, fluïde, er zíjn helemaal geen frontlinies. Bij operaties in die twee landen sneuvelden ruim 130 vrouwelijke Amerikaanse militairen, 800 raakten er gewond.

De kanttekeningen bij de aanwezigheid van vrouwen in de frontlinie heeft niet zoveel te maken met hun gevechtscapaciteiten, maar met hun integratie in gemengde onderdelen. Kijk naar die échte vrouwtjesputters: die vochten ook in ongemengde eenheden en niet samen met mannen. Voor het lauwe welkom van de mannetjessoldaten voor vrouwelijke collega’s, bestaat een hardere ratio dan alleen masculien schoorvoeten.

Wat blijkt? Mannetjes zijn zélf de zwakste schakel. Israëlische studies naar het optreden van mannen en vrouwen in gevechtsomstandigheden wezen uit dat uitgerekend de mannen zwakke knieën krijgen, wanneer ze geconfronteerd worden met verwondingen van hun vrouwelijke collega’s. Een biologische drijfveer maakt ze beschermend jegens ‘het zwakke geslacht’, een reflex die ze afhoudt van de core business, het vechten zelf. Er dienen al decennia veel vrouwen in het Israëlische leger, maar niet in gemengde eenheden aan het front.

Hoe zit dat in Nederland? Uit oogpunt van emancipatie zijn in Nederland sinds begin vorig decennium alle gevechtsposten voor vrouwen opengesteld, zelfs het korps commandotroepen – hoewel het onderdeel selectie van vrouwen om fysieke redenen „niet realistisch” noemt. Er resteren nog twee mannenbolwerken, de marine en de onderzeedienst.

De mariniers blijven ongemengd omdat het tillen van de uitrusting van de eenheid, zoals radio’s en dergelijke, evenredig moet worden verdeeld, iets waarvoor vrouwen dus minder geschikt zijn. Nederlandse vrouwelijke militairen hebben overigens wel deelgenomen aan missies van de commando’s in Afghanistan, maar dan alleen in een ondersteunende rol – waarvan het risico niet kan worden onderschat.

Bij de marine gaf de allereerste introductie van vrouwen aan boord van de schepen heibel. Het bevoorradingsschip Hr. Ms. Zuiderkruis kreeg in 1980 een aantal vrouwelijke opvarenden aan boord. De walpartners van de mannelijke crew protesteerden luid, bang als ze waren om de promiscuïteit van hun echtgenoten. De Zuiderkruis kreeg al snel de bijnaam The Loveboat, een niet onterechte reputatie, grijnzen betrokkenen. Wie tegenwoordig op een marineschip komt, ziet evenveel vrouwen aan boord als in willekeurig welk technisch bedrijf.

Niet dat er geen sekseverschillen zijn. Zoals een onderofficier op e en mijnenjager eens tegen de verslaggever zei: „Als je een kerel zegt dat hij een lul is omdat hij een tang uit zijn fikken heeft laten kletteren, dan praat je dat ’s avonds over een biertje uit.” Noem je een vrouw om zoiets een trut, zei hij, „dan word je zes weken later nog scheef aangekeken”. Goed beschouwd verschilt die situatie dus niet wezenlijk van die aan de wal.

Ook bij de onderzeedienst is voor vrouwen geen plek, de arbowetgeving staat dat niet toe: er is geen plek voor verplicht gescheiden sanitaire voorzieningen. Het PvdA-Kamerlid Angelien Eijsink dook een kleine tien jaar terug al eens onder om de hygiënische omstandigheden te inspecteren. Toch maar niet doen, zei ze, nadat ze door het luik naar buiten was gekropen.

Toch is dat een achterhoedegevecht. Op Duitse, Australische, Canadese boten dienen al vrouwen, een Noorse boot had al een vrouwelijke commandant.

En sinds vorig jaar zijn vrouwen ook op Amerikaanse kernonderzeeboten welkom. Dat vonden de Amerikanen zelf bijzonder: de eerste lichting mocht thuis langs bij de Obamaatjes.