Geen bergen? Maakt niets uit op weg naar de bobsleetop

Op de WK bobslee wordt allang niet meer gelachen om de Nederlanders. Een plaats op het erepodium, dat is de doelstelling.

Sportredacteur

St. Moritz. Een wintersportland? „Dat is Nederland allang”, klinkt het gedecideerd in de sneeuw van St. Moritz. Nicola Minichiello, bondscoach van de Nederlandse bobsleeërs, weet hoe het is om de wereldtop te halen in een sport die niet ‘past’ bij het eigen landschap. „Dat je weinig traditie hebt is juist een voordeel”, zegt Minichiello, in 2009 de eerste Britse wereldkampioene bobslee.

Misschien was het wel typerend, de teleurstelling op het gezicht van Esmé Kamphuis. Zij eindigde zaterdag als zesde op de WK in de Zwitserse bergen. Na vier afdalingen miste ze het zilver op slechts 0,17 seconde. „Dat is niks”, baalde ze.

Decennialang waren de Winterspelen voor Nederland vooral een olympische reünie voor de langebaanschaatsers, maar die tijd is voorbij. Nicolien Sauerbreij toonde met haar gouden medaille in Vancouver (2010) al aan dat je wieg niet in de Alpen moet hebben gestaan om als snowboarder de top te bereiken. Maar ook bobsleeërs gaan volgend jaar alleen naar Sotsji voor goud.

„Of je bergen hebt of niet, maakt helemaal niks uit – elk jaar gaan een miljoen Nederlanders skiën”, zegt bobsleepionier Arend Glas, die twee keer de Spelen haalde. Nu is hij in dienst van de Australische bond. „Bobsleeën is wel een sport van de lange adem. Je moet jarenlang werken om de top te bereiken.”

Minichiello, geboren in Sheffield, weet er alles van. Haar vaderland toont al jaren aan dat slim en systematisch investeren in een sport uiteindelijk medailles oplevert, ook al ontbreekt elke traditie. „De Britse wielrenners hebben jarenlang elk onderdeeltje van die sport onderzocht om tot betere prestaties te komen. Nu domineren ze de baan, maar ook de Tour.”

Minichiello zag in het Britse skeleton – sleeën op de buik – en bobsleeën van dichtbij precies dezelfde opmars, ook al ligt de dichtstbijzijnde baan in het Duitse Winterberg. „In landen met een jarenlange bobsleetraditie, zoals Duitsland, kan een soort gemakzucht ontstaan. Ze werken zoals ze al jaren doen.”

Het adagium van Minichiello is precies het omgekeerde: „Je moet niet in je sport kijken, maar erbuiten.” Tijdens haar actieve carrière, die ze beëindigde na Vancouver (2010), werkte Minichiello in de zomermaanden samen met de Formule 1-teams van McLaren en Mercedes om haar eigen stuurmanskunsten te verbeteren. „We hebben alles in stukjes gehakt en geanalyseerd: reflexen, oog-handcoördinatie, focus, de mogelijkheid om heel snel beslissingen te nemen. Die kennis breng ik over aan Esmé, toegespitst op het bobsleeën. Als je op elk element de beste bent, word je uiteindelijk de beste.”

Dat geldt zelfs voor de supermacht in de sport, Duitsland, dat kan vissen in een poel van duizenden talenten die al op school leren rodelen. Minichiello: „Maar ook de Duitsers hebben hun zwakheden. Zij halen de bobsleeërs traditioneel uit het rodelen, zoeken niet naar krachtsporters. Daarom zijn hun starttijden niet zo goed als ze zouden kunnen zijn.”

Nederland – Team Kamphuis – ligt volgens Minichiello op koers voor een olympische medaille. „Bobsleeën gaat vooral om drie onderdelen: het materiaal, de start en het sturen. We hebben een fantastische slee, en Esmé was dit weekeinde de meest constante piloot op de WK. Alleen onze start moet nog beter. Dat zal volgend jaar in orde zijn.”

Met Kamphuis en Edwin van Calker, die terugkomt van een hamstringblessure en mede daardoor tevreden moest zijn met de dertiende plaats in de tweemansbob, heeft Nederland in Sotsji absoluut medaillekansen, denkt Glas. „Esmé zet hier een fantastische prestatie neer. En ik ben ervan overtuigd dat Edwin de wereld nog gaat verrassen.”

Met hun professionele aanpak maken zij bovendien de weg vrij voor de nieuwe generatie: vorig jaar behaalde Marije van Huigenbosch goud bij de Jeugd Olympische Winterspelen, Kimberley Bos brons.

„We hebben in Nederland bomen van kerels en dames”, zegt oud-skeletonner Peter van Wees, nu in de atletencommissie van de internationale bobsleebond. „Er is geen enkele reden waarom zij het niet goed zouden kunnen doen in zo’n sport. Veel Amerikanen wonen oneindig veel verder van een bobbaan dan Nederlanders. Je moet gewoon beginnen, sponsors vinden en durven fouten te maken. Dat ontbreekt een beetje: Nederlandse bedrijven zijn minder geneigd een olympische droom te ondersteunen dan bijvoorbeeld Amerikaanse.”

    • Rob Schoof