Fransen trots op hun oorlog

Niemand in Frankrijk vraagt zich af waarom juist de Fransen in Mali interveniëren. De politieke steun voor de missie is overdonderend.

De tricolore in Mali: de Franse televisie kan er geen genoeg van krijgen. Iedere dag vertonen de nieuwszenders beelden van pantserwagens die in een volgend Malinees woestijnstadje met wapperende Franse vlaggen worden binnengehaald.

Gisteren kwamen daar de beelden bij van vrouwen die in Gao, de door de Frans-Malinese coalitie ontzette noordelijke stad, voor de camera’s ostentatief hun door de moslimstrijders opgedrongen sluiers afwierpen: een treffend symbool voor de vastberaden buitenlandse missie van een natie die religieuze neutraliteit tot geloof verheven heeft.

Door de ogenschijnlijk makkelijke successen en de op televisie zo dankbare Malinese bevolking is de binnenlandse politieke steun voor de Franse interventie nog altijd overdonderend. En hoewel discussie bestaat over de duur van de operatie en het uitblijven van steekhoudende militaire steun van andere westerse mogendheden, is er in Frankrijk zelf niemand die zich afvraagt waarom juist Frankrijk deze hachelijke operatie eigenlijk begonnen is.

Er was een Veiligheidsraadresolutie die het ingrijpen legitimeerde en de president van de bevriende natie Mali had Frankrijk, de voormalige kolonisator, expliciet om hulp gevraagd. De radicalisering in de Sahel zou van Mali een „terroristische staat” kunnen maken en de invloed van de rebellen zou de kans op aanslagen in Europa vergoten.

Maar waarom Frankrijk? Behalve de Verenigde Staten zijn er weinig andere landen die de laatste decennia een dergelijke militaire operatie buiten de landsgrenzen hebben ondernomen. En terwijl Frankrijk in 2011 zich als initiator van de bombardementen in Libië eerst vergewiste van snelle militaire steun van het Verenigd Koninkrijk en andere NAVO-landen, heeft Parijs nu besloten om, ondanks het gebrek aan die steun, dan maar alleen ten strijde te trekken.

De meest prozaïsche verklaring luidt: omdat Frankrijk het kan. Er zijn maar vier landen in de wereld die de militaire slagkracht hebben om op zo’n korte termijn een dergelijke militaire operatie uit te voeren, analyseerde kenner van de Franse buitenlandse politiek François Heisbourg vorige week. „Dat zijn behalve de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Israël en Frankrijk.”

Frankrijk is als een van de ‘overwinnaars’ van de Tweede Wereldoorlog nog altijd een van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad en gedraagt zich daar ook naar. De economie van het land mag in verval zijn, op militair vlak wil Frankrijk mee blijven doen.

Het defensiebudget steekt met 58,8 miljard euro per jaar schril af tegen de 739 miljard van de VS, maar binnen Europa heeft Frankrijk het grootste en best geëquipeerde leger, dat vrijwel uitsluitend materieel gebruikt dat in Franse fabrieken is geproduceerd. Het is daarmee, zeggen critici, in actie een permanente reclamespot voor die wapenindustrie .

Hoewel de voormalige Franse koloniën in Afrika ruim vijftig jaar onafhankelijk zijn en president na president aankondigt korte metten te willen maken met de schimmige invloedssfeer die ‘Françafrique’ genoemd wordt, heeft Frankrijk op verschillende plaatsen in Afrika ook nog altijd militaire bases met in totaal bijna 5.000 manschappen actief.

Die traden in 2011 bijvoorbeeld op om, onder VN-mandaat, in Ivoorkust het conflict te beslechten tussen Laurent Gbagbo en Alassane Ouattara, die zich na verkiezingen beiden tot president hadden uitgeroepen. In 2008 hielpen Franse troepen om president Débry van Tsjaad, vele jaren eerder door Frankrijk geïnstalleerd, van rebellengevaar te vrijwaren.

„De vrijheid in de straten van Mopti, Konna of Bamako is ons evenveel waard als de vrijheid in de straten van Parijs, Montreuil of Straatsburg”, bulderde Harlem Désir, de eerste secretaris van de Parti Socialiste van president Hollande, vorige week in Montreuil, een voorstadje van Parijs met een grote Malinese gemeenschap. Een paar honderd Franse Malinezen waren daar naar het plaatselijke gemeentehuis gekomen voor een linkse solidariteitsavond met het Malinese volk en de Franse troepen. Zij juichten de politici toe die erop hamerden dat Frankrijks republikeinse waarden grensoverschrijdend zijn.

Al tijdens de verkiezingscampagnes had François Hollande gezegd nieuwe relaties met Afrika te willen. De Franse president leek bij zijn aantreden zelfs weinig op te hebben met het continent, schrijft Le Monde vandaag. Toen de door een rebellenopstand geplaagde president van de Centraal Afrikaanse Republiek vorige maand om steun vroeg, stuurde hij 600 soldaten die louter de Franse staatsburgers van het land moesten beschermen. De tijd dat Frankrijk bevriende presidenten in nood zou ontzetten was „voorbij” zei Hollande. De president moest zelf maar met de rebellen rond de tafel.

Het ingrijpen in Mali heeft met ‘neokolonialisme’ of met instandhouding van de Franse invloedssfeer niets te maken, verzekerden de Malinezen in Montreuil. „Als het Frankrijk menens is met liberté, égalité en fraternité, dan moet dat ook gelden voor broeders overzee”, meende een tengere jongeman die zei zelf in Gao geboren te zijn. „Waarom Frankrijk? Wie anders?” Groen politicus Pascal Durand sprak in Montreuil, met gepijnigd gezicht, over het gelijkheidsideaal van de Franse revolutie, het „verdedigen van de waarden van de republikeinse vlag”.

Vive la France”, scandeerden de Malinezen nog maar eens.

    • Peter Vermaas