Boos op zijn best

Wayne LaPierre, het gezicht van de wapenlobby in de VS, is een van de belangrijkste tegenstanders van Obama. „De president begrijpt u niet. Hij is het niet eens met de vrijheden die u koestert.”Guus Valk, Washington

Wayne LaPierre NRA Country ACM Celebrity Shoot at Desert Hills Shooting Club Las Vegas, Nevada - 31.03.12 Mandatory Credit: Judy Eddy/WENN.com (Newscom TagID: wennphotosthree245442.jpg) [Photo via Newscom] Judy Eddy/WENN.com/Newscom

Wayne LaPierre, de directeur van de National Rifle Association, is op zijn best als hij zich kwaad kan maken. Als hij oogt alsof hem groot onrecht is aangedaan, zegt Robert Spitzer, politicoloog uit New York en lid van de National Rifle Association (NRA), „verwoordt hij het gevoel van zijn leden het best, met vuurspuwende ogen en overslaande stem.”

De laatste tijd gebeurt het vaak. Zoals in het Willard Hotel in Washington, een week na de schietpartij in Newtown, in december. President Barack Obama had na de dood van twintig kinderen en zes volwassenen aangekondigd met maatregelen te komen om vuurwapengeweld terug te dringen. LaPierre priemde naar de ‘echte’ schuldigen: de „kwaadaardige, gewelddadige videogames”, „de met bloed doordrenkte knokfilms uit Hollywood”, de „mediaconglomeraten die proberen te shockeren”. Vuurwapens zijn niet het probleem, zei LaPierre, ze zijn de oplossing. Hij pleitte voor gewapende bewakers op elke school.

Hij kreeg, ook in conservatieve media, veel kritiek. Ann Coulter, een invloedrijke conservatieve publicist, verzuchtte: „De NRA heeft een betere woordvoerder nodig.” Toch is het typisch de reflex van de linkse media om de persconferentie als een strategische blunder te zien, zegt Joe Tartaro, al 34 jaar bevriend met Lapierre en voorzitter van de Second Amendment Foundation, een organisatie die gelieerd is aan de NRA. „Iedereen verwachtte dat hij zou capituleren, en het recht op vrij wapenbezit zou opgeven. Het was juist goed dat hij op zo’n emotioneel moment, vlak na de schietpartij, pal voor onze rechten bleef staan.” Dat is het geheim van Wayne LaPierre, zegt Tartaro. „Hij ziet eruit als een boekhouder. Maar als het erop aankomt, is hij een vechtjas.”

Wayne LaPierre is 64 jaar en staat al 21 jaar aan het hoofd van de machtigste lobbyorganisatie in de Verenigde Staten. De NRA heeft ruim vier miljoen leden, 780 werknemers en een lobbybudget van veertig miljoen dollar. De circa 125.000 vrijwilligers in het land zijn het machtigste wapen. Geen organisatie is zo goed in staat Congresleden verkozen te krijgen, onderwerpen te agenderen, het debat te sturen. Er is één uitgangspunt: controverse is goed. Na de kritiek op de persconferentie van LaPierre in Washington kreeg de NRA er 400.000 leden bij.

De komende maanden is LaPierre een van de belangrijkste politieke tegenstanders van Barack Obama, die na Newtown met tientallen wetsvoorstellen en besluiten is gekomen om het aantal slachtoffers van vuurwapengeweld te beperken. In een recente NRA-spot wordt Obama „een elitaire hypocriet” genoemd, omdat hij de school van zijn kinderen wel door gewapende agenten laat bewaken (dit bleek later overigens onjuist). Obama is de ideale president voor LaPierre om zich tegen af te zetten. Op een lezing in Reno, Nevada, noemde hij de inaugurele rede van Obama „een aanfluiting”. De president had gezegd: „We mogen absolutisme niet voor principes aanzien.” LaPierre zag dat als een belediging, en zei tegen zijn aanhang: „Obama begrijpt u niet. Hij is het niet eens met de vrijheden die u koestert.”

In Wayne LaPierre heeft Obama een geduchte tegenstander. Volgens Robert Spitzer, auteur van het standaardwerk The politics of gun control, is LaPierre niet alleen een goede lobbyist, die slim onderhandelt en iedereen kent. Hij verfijnde ook het lobbywerk tot in de details. Iedere politicus, elke organisatie wordt ingedeeld op een schaal van vuurwapenvriendelijk tot -onvriendelijk. Bij verkiezingen in een staat voor een Congreszetel steunt de NRA de kandidaat die het hoogst scoort. Spitzer: „Deze strategie werkt heel goed, want er is geen georganiseerde tegenlobby. Dat is heel anders dan bij andere controversiële onderwerpen, zoals abortus. De NRA heeft vrij spel.” LaPierre bespeelt de vrees van vuurwapenbezitters: het recht op vrij vuurwapenbezit, verankerd in het Tweede Amendement van de Grondwet, kan elk moment worden opgeheven. Dan moet u uw vuurwapen inleveren en verliest u uw vrijheid. En, zei LaPierre in 2002: „Er zijn geen grijstinten als het op uw vrijheid aankomt.”

Toen de jonge bestuurskundige LaPierre in 1977 actief lid werd, stond de NRA op het punt drastisch de koers te verleggen. De organisatie, opgericht in 1871, telde maar een kwart van het huidige aantal leden, was principieel niet-partijgebonden en behartigde vooral de belangen van jagers en sporters. Na enkele relatief strenge anti-vuurwapenwetten in de jaren zeventig stond een groep radicale jongeren op, die wilde dat de NRA zich actief zou verzetten tegen bemoeienis van de buitenwereld. Op een congres zette de groep het oude bestuur af. Voortaan zou de beweging actief gaan lobbyen, het recht op vuurwapenbezit permanent agenderen en een radicaal-conservatieve boodschap uitdragen. „Het was nodig, de organisatie was kleurloos. Door ons fel af te zetten tegen de buitenwereld, konden we de NRA verenigen”, zegt Joe Tartaro, een van de jonge coupplegers. „Kijk waar we nu staan. Na Newtown verenigen de leden zich achter LaPierre, daarom zijn we machtig. Radicaal zijn wordt in eigen kring dus gewaardeerd.”

LaPierre klom als lobbyist snel op in de organisatie. De nieuwe machthebbers, Neal Knox en Harlon Carter, zagen in de welbespraakte LaPierre een ideale woordvoerder. Joe Tartaro: „Wayne las alles wat er over vuurwapens geschreven werd, kende elk tegenargument. Hij liep altijd met een stapel mappen onder de arm, heel vreemd in een club als de onze. Een professor, maar wel met een scherpe tong.” Toen LaPierre in 1991 gekozen werd tot directeur, was de NRA drastisch naar rechts opgeschoven.

LaPierre kiest steeds de aanval als politici pleiten voor maatregelen om vuurwapenbezit te beperken. Meestal gebeurt dat na een grote schietpartij. De bomaanslag in Oklahoma door Timothy McVeigh in 1995 was ook zo’n moment dat Congresleden riepen om actie. Vlak voor de aanslag had LaPierre in een brief aan leden gewaarschuwd voor de „overheidsschurken in marcheerlaarzen”, die „nazihelmen en de zwarte uniformen van stoottroepen” dragen. Omdat McVeigh zijn aanslag rechtvaardigde met soortgelijke anti-overheidstaal, kwam de NRA onder druk te staan. De roep om beteugeling van het vuurwapenkamp werd luid. George Bush, president tussen 1989 en 1993, zegde zijn lidmaatschap op.

Maar dat veranderde niets.

Onder de presidenten Reagan en George W. Bush werden wetten teruggedraaid of versoepeld. Was er een ongunstig gestemde president aan de macht, zoals Bill Clinton tussen 1993 en 2001, dan wist de NRA fondsen en leden te werven door onrust te creëren. Spitzer: „De decennia onder LaPierre waren een groot succes. Belangrijke wetten, zoals het verbod op zware vuurwapens uit 2004, werden teruggedraaid. In 2008 besloot het Hooggerechtshof dat het recht op vuurwapenbezit door de Grondwet gegarandeerd wordt. Dat zijn enorme overwinningen.”

De belangrijkste verdienste van LaPierre is volgens Spitzer dat hij het verhaal rondom vuurwapenbezit heeft veranderd. „Na een schietpartij als in Newtown gaat het debat al snel niet meer over de vraag hoe we de straten en scholen veilig houden, maar of onze vrijheid niet bedreigd wordt.”

    • Guus Valk