Wantrouwen tegen Brussel dat niet zomaar verdwijnt

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Mark Verheijen, coming man van de VVD, en de blijvende voedingsbodem voor anti-Europees populisme.

Illustratie Hajo

Wat waren ze dinsdag in de Kamer tevreden met zichzelf. Even Wilders dissen. Zijn partij wilde Jeroen Dijsselbloem al wegsturen nog voordat hij zijn eerste vergadering in Brussel kon leiden. In alle hoffelijkheid stond de Kamer de PVV-aanvraag voor een debat toe – waarna de troepen van Wilders met hun eigen onbetekenendheid werden geconfronteerd.

Alle andere fracties weigerden mee te praten over de motie van wantrouwen die een secondant van Wilders tegen de nieuwe Mr. Euro indiende. Het hele debat, met bombarie aangekondigd, was in drie minuten gepiept. Daarna meteen stemmen. Motie kansloos afgewezen, Wilders afgeserveerd.

Het liet zien dat ze nu dus collectief proberen het PVV-populisme in te dammen; de tactiek die Rutte de vorige periode al aanbeval. Want wie de provocaties van Wilders inhoudelijk bestrijdt, geeft hem precies wat hij wil: de wantrouwende kiezer die wordt bevestigd in zijn weerzin tegen het bestuur. Dus nu komen Kamerleden gewoon niet meer opdagen als de blonde leider het hoge woord voert. Eat that, Wilders.

Maar helaas – toen werd het woensdag. David Cameron liet zijn euroscepsis de vrije loop, en zo belandde het debat dat Wilders aan Den Haag blijft opdringen via het Verenigd Koninkrijk alsnog op het Binnenhof.

Referendum over het EU-lidmaatschap? Diederik Samsom liet woensdag in Nieuwsuur weten dat hij geen angst voor zo’n referendum had – totdat hij het donderdag toch niet bleek te willen. En D66, partij van het referendum, voelde er ook even niets voor.

Het gaf het Haagse dilemma inzake de EU perfect weer. De scepsis over het Europese project is zo groot geworden dat het tactisch logisch is Wilders’ aanvallen te negeren – maar inhoudelijk ligt het anders. Meer dan ooit is het belang van EU-aanhangers dat hun argumenten worden gehoord. Maar meer dan ooit ontlopen ze het debat met hun agressiefste opponent. Het laat zich raden waarom: politici die zoveel moeite doen Wilders’ agitatie als onbetekenend te presenteren, laten in feite zien hoezeer zij die agitatie vrezen.

Ik sprak donderdag met Mark Verheijen (36), coming man in de VVD en in de Kamer woordvoerder inzake de EU. Handige Limburger, licht nerveus, sympathiek: in staat zijn reputatie als politiek talent te relativeren. „Veelbelovend ben ik al vijftien jaar”, zei hij.

Wilders kent hij, vertelde Verheijen, al sinds hij in 1998 de Limburgse VVD meehielp aan diens campagne om VVD-Kamerlid te worden. Over Europa ging het destijds niet, maar het opportunisme van de latere PVV-leider leerde hij al vroeg kennen. „Hij is een van de weinige zittende Kamerleden”, zei Verheijen, „die destijds vóór invoering van de euro stemden”.

Het EU-debat blijft intussen razend ingewikkeld. Verheijen knikte meteen toen ik begon over de cijfers uit het laatste kwartaalbericht van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Burgerperspectieven, 28 december). Er staat in dat 48 procent van de bevolking meent dat Den Haag te veel macht overdroeg aan Europa (20 procent oneens, de rest geen mening). En nog steeds vinden erg veel mensen het „een slechte zaak” dat de gulden is vervangen voor de euro (34 procent eens, 39 procent oneens, rest geen mening).

Verder is er grote behoefte (70 procent) dat de overheid zich „meer” met Nederland bezighoudt. En denk niet dat dit een hobby van PVV- en SP-stemmers is: ook PvdA- (61 procent) en VVD-kiezers (68 procent) vragen voorrang voor het binnenland.

De voedingsbodem voor anti-Europees populisme blijft kortom omineus groot. En de huidige generatie leiders zal het vertrouwen niet zomaar herstellen: onderzoek van Edelman, het grootste communicatiebureau ter wereld, wees deze week uit dat nog slechts 6 procent van de Nederlanders denkt dat hun politici de waarheid spreken; een van de laagste percentages, jawel, ter wereld.

Als je rondvraagt wat hieraan moet gebeuren, wijzen mensen geregeld op een essay dat de Utrechtse sociaal psycholoog Kees van den Bos in 2011 schreef voor Binnenlandse Zaken. Het documenteert hoe wantrouwen ontstaat, en hoe de overheid dit kan wegnemen. De essentie is dat Hollandse burgers zich pas identificeren met politieke beslissingen als zij zelf waarnemen dat die beslissingen op rechtvaardige wijze zijn genomen. Dan kunnen zij, zegt Van den Bos, ook prima leven met regels waarmee ze het oneens zijn.

Contact met ambtenaren helpt hierbij, abstracte taal, achterkamertjes en autoritair leiderschap helpen juist niet. Ziehier het probleem: ‘Europa’ is voor de individuele burger zo groot, geheim en ongrijpbaar geworden dat het niet gauw in staat zal zijn het wantrouwen van de Nederlander terug te winnen.

Dus zo staat het ervoor: de Hollandse scepsis over Europa blijft groot, en het gevaar dat Wilders (of een andere agitator) dit ongenoegen verder exploiteert is levensgroot, terwijl de kans dat de huidige generatie leiders het vertrouwen in de EU herstelt gering is.

Is het dan vreemd dat een partij als de VVD voor minder Europa pleit? „Een groot deel van de Britse scepsis is vergelijkbaar met die van de VVD”, zei Verheijen. Een retorisch kunstje natuurlijk, want zijn partij wil onder geen beding uit de EU, waar Cameron daar juist op zinspeelt.

Verder vertelde Verheijen allemaal dingen die goed te plaatsen zijn. Dat zijn fractie Kamerdebatten toegankelijker wil maken, bijvoorbeeld door de premier na elke EU-top een verklaring in de Kamer te laten afleggen. Dat VVD-kritiek vaak verkeerd wordt geïnterpreteerd: kritiek betekent niet dat je tegen de EU bent. Dat de liberale grondslagen van Europa – interne markt, muntunie – te veel zijn vervuild door beleidsfranje uit de wereld van de goede bedoelingen.

„Europa is een liberaal project waar veel te weinig liberalen bij betrokken zijn geweest”, zei hij. De discussie die Cameron aanzwengelde heeft dus óók voordelen: „Europese samenwerking dwingt ons te definiëren wie we zijn.”

Over zichzelf wist Mark Verheijen dit wel. Zonder omwegen noemde hij zich, zoals Mark Rutte, een kind van de Verlichting. Een ‘vooruitgangsoptimist’. Het deed me op twee manieren denken aan de jaren tachtig. Toen had je in Den Haag de ‘Rutten-boys’; volgelingen van de almachtige secretaris-generaal van Economische Zaken, Frans Rutten. En je had een liberale minister, het huidige WRR-lid Pieter Winsemius, die vond dat je niet te veel moest verwachten van beleid om een recessie te bestrijden. Positivisme, management by speech, was veel effectiever, zei hij.

Je zou Mark Verheijen kunnen definiëren als Rutte-boy: wanneer een premier er een paar jaar zit, krijg je vanzelf partijgenoten die de houding van de hoogste baas kopiëren. Zoals het ook opvallend is dat de laatste weken overal economen en bewindslieden opduiken die benadrukken dat het met Nederland eigenlijk vrij goed gaat.

Henk Kamp (Economische Zaken) gebruikte de jaarwisseling om te vertellen hoe „optimistisch” hij is over de economie. En deze week beschreef een econoom van de Rabobank (nee, niet die wielerploeg) in de Volkskrant dat Nederland een „ijzersterke” positie heeft: „Hou toch op met dat gesomber.”

Je kunt hier schamper over doen. Maar onder deze omstandigheden is management by speech misschien zo gek nog niet. Van ‘Europa’ is op korte termijn geen eenvoudige politiek meer te maken. Alleen waar economisch herstel kan het wantrouwen en het chagrijn uit de maatschappij halen. En als optimisme, management by speech, daarbij helpt – waarom niet? Dus: meer Rutte-boys, graag.