‘Vrienden zijn mijn familie’

Melle Daamen eet kroketten in het restaurant van zijn eigen schouwburg. Hij praat over werk, over vrienden, over de dood. ‘Ik denk allang niet meer: wat onrechtvaardig.’

Schouwburgdirecteur Melle Daamen: „Op een boot móet je wel met elkaar praten.” Het bootje kocht hij op een rommelmarkt en hangt aan het plafond van zijn werkkamer.

Melle Daamen (54) wordt geboren tijdens een sneeuwstorm in januari, in een klein dorpje in het oosten van het land. „De ambulance kwam niet en ik zat bekneld. Ik kwam”, zegt hij, „uitgeput uit mijn moeder”. Het vierde kind, een nakomertje, een „eenzaam import-directeurszoontje”. Zijn vader was de baas van Dru, fabrikant van kachels en gietijzeren pannen. Melle krijgt de verzetsnaam die zijn vader in de oorlog gebruikte, hij was spion. Pas na een paar maanden blijkt dat er iets aan Melles ogen mankeert. „Ze stonden verkeerd en mijn linkeroog was blind.” Zijn moeder had rode hond toen ze zwanger was van hem. Hij werd meerdere keren geopereerd. „Dat leidde niet tot verbetering van mijn zicht. Maar ik zie er nu normaler uit.”

Hij draait zijn linkerschouder naar achteren, kromt zijn rug, houdt zijn hoofd scheef en kijkt schuin omhoog. „Zo had ik je vroeger aangekeken”, zegt hij. Quasimodo. „Als kind liep ik overal tegenop. De dokter raadde mijn moeder aan me te laten begaan. Als ik me vaak genoeg stootte, zou ik het vanzelf wel af leren.” Hij neemt zijn gewone gedaante weer aan. Rechtop en jongensachtig in een grijs flanellen shirt. Twee groengrijze ogen kijken me kalm aan. Zo is hij Melle Daamen, de directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg.

We zitten op zondagmiddag in Stanislavski, het restaurant in de schouwburg. Het was zijn idee om er een restaurant te openen. „Voorheen was dit gebouw de hele dag dicht. Een half uur voor aanvang van een voorstelling konden mensen naar binnen, na afloop moest iedereen direct weer weg.” Nu zijn er ook gasten als er (nog) geen voorstellingen zijn. We zien vanuit onze ooghoeken sportpresentator Humberto Tan zitten. Hij zal aan het eind van de middag de verkiezing presenteren van Amsterdammer van het jaar, georganiseerd door Het Parool. We schrikken op van een schreeuw van Hans Teeuwen, cabaretier. We horen en zien de hoofdredacteur van Het Parool haar entree maken in een roze feestjurk en op roze gympen. De voormalig directeur van de schouwburg in Eindhoven zit met vrouw en vrienden aan het tafeltje naast ons.

Ik ben op zijn favoriete plek gaan zitten, zegt Melle Daamen. Het tweepersoonstafeltje onder het menubord, op de stoel die uitzicht biedt op de ingang en op de doorgang naar de theaterzalen. „Dichtbij genoeg om alles gade te slaan, en net ver genoeg om niet met iedereen een praatje te hoeven maken.” Soms staat hij bij de voordeur, juist om iedereen persoonlijk welkom te heten. Nu met elke bezoeker een vlaag ijzige januariwind binnenwaait, moet hij steeds opstaan om de deur te sluiten.

Feestjes

De lezer uit Groningen, Maastricht of Utrecht zou zich kunnen afvragen waarom ik lunch met de Amsterdamse schouwburgdirecteur en niet met de Rotterdamse, Nijmeegse, of die uit Almere. In hun zalen spelen dezelfde acteurs dezelfde toneelstukken voor bijna net zoveel publiek. Wat maakt de schouwburg van Melle Daamen zo anders dan al die andere schouwburgen? Het antwoord is: expanding theater. Dat is het woord dat Melle Daamen heeft bedacht voor alle activiteiten in de schouwburg die niets met theater of toneel te maken hebben. Boze medewerkers noemden het, toen hij daar tien jaar geleden mee begon, ‘feestjes van de directeur’. Het zijn de avonden waarop er geen acteurs of dansers op het podium staan, en de zalen en gangen van de schouwburg worden bevolkt door een heel ander publiek. Dan zijn er thema-avonden over China, met experts en wetenschappers en „échte Chinezen”, binnenkort is er zo’n avond over Afrika. You Tube-avonden waarop 700 man samen zitten te kijken naar filmpjes die ze ook thuis op hun computer kunnen zien. Of de avonden die NRC Handelsblad er voor de lezers houdt. De organisatoren nemen hun eigen achterban mee en zorgen zo voor nieuw publiek, dat soms nooit eerder een schouwburg van binnen zag. Het geeft reuring op de doordeweekse avonden waarop de zalen normaliter leeg waren.

Voor alle andere stadsschouwburgdirecteuren die nu zeggen: ‘maar dat soort avonden organiseren wij hier ook’, Melle Daamen bedacht er een naam voor, en schreef er een boek over dat te lezen is als een ‘how (not) to’.

Debat en discussie in het theater? Daar heb je toch De Balie voor, of de Rode Hoed, of welk debatcentrum dan ook? Melle Daamen vindt het logisch dat zoiets in de schouwburg gebeurt. „Deze schouwburg is gebouwd voor de notabelen. De ruime gangen en foyers zijn bedoeld om rond te lopen, om elkaar te ontmoeten.” Hij wijst naar de zijkant van het gebouw. „Daar was vroeger de ingang voor het plebs.” Zij gingen naar hun zitplaats via een wenteltrap en smalle gangen.

Melle Daamen hoeft de menukaart niet te zien. Hij kiest kroketten op brood en een grote jus d’orange.

Sinds hij in 2002 directeur werd, worden er opvallend veel feestdagen in de schouwburg gevierd. De nachtmis met Kerst, een Sinterklaasgala, Nieuwjaarsdag, straks een Valentijnsnacht.

Hij kijkt me schuin aan. „Voor mij misschien een poging om onder familiefeesten uit te komen.”

Familiefeesten zonder familie, maar wel de behoefte om samen te zijn?

Hij antwoordt niet, maar begint te vertellen over hoe hij zijn verjaardag nu al een paar jaar viert. „Ik nodig al mijn vrienden uit voor een ontbijt. En om er voor te zorgen dat ze uitgerust en op tijd komen, doe ik er een overnachting in een hotelkamer bij.” Zo vult hij achttien kamers in één hotel. „Iedereen komt om twaalf uur ’s nachts bij mij op de kamer. De verjaardagsrituelen zijn binnen vijf minuten afgerond, en iedereen staat zo dicht op elkaar dat ze wel met elkaar kennis moeten maken.”

Hij vindt het belangrijk om zijn vrienden met elkaar te verbinden. „Daar doe ik heel veel aan en ik ben er heel zorgvuldig mee. Vrienden zijn mijn familie.”

Ik zeg dat ik gehoord heb dat die familie steeds jonger wordt.

Hij grinnikt. „Op zekere leeftijd krijgen mensen kinderen. Zo rond de dertig ligt een grens. Zijn er eenmaal kinderen, dan hebben mensen minder tijd om uit te gaan, minder behoefte om dingen te proberen. Ze zijn minder available.” En dus? „Dus ben ik geneigd met de daaropvolgende generatie om te gaan.”

Hij heeft geen voortplantingsdrang, zegt hij. Of beter: vroeger had hij die niet. Nu is hij „ambivalent”. Met de juiste moeder erbij zou hij het best willen. „Ben ik wel een oude vader.”

Wist ik trouwens dat hij, in tegenstelling tot veel jonge vaders, heel goed is met baby’s? Dat hulpeloze, dat stuntelige met zo’n hoopje kind, dat heeft hij helemaal niet. Hij heeft een tijdje gepast op het zoontje van een vriendin. Grappig, zegt hij. „Mijn vader ging ook op een heel natuurlijke, vanzelfsprekende manier met mij om. In het weekend nam hij me mee naar de fabriek. Hij vergaderen, ik vermaakte me achter de typemachine.” Hij was de enige van de vier die goed was met hun vader. „Best gek. Hij was een vrome katholiek, CDA-stemmer, conservatief. Alles wat ik niet ben. Achteraf denk ik dat hij zich weer afzette tegen zijn vader. Een vrijbuiter. Speculant.. Kunstverzamelaar. Hij had werk van George Breitner, Isaac Israëls, Sierk Schröder. Mijn halve huis staat vol met spullen die van hem waren. Zo’n man die als hij veel geld had verdiend, zijn kinderen van school haalde en met ze op reis ging. Hij woonde met een huishoudster in huis. Pas toen hij met haar trouwde, begreep ik dat ze natuurlijk nooit zijn huishoudster was, maar gewoon zijn jongere vriendin. Jonger dan mijn vader.”

De grootvader en vader van Melle Daamen werden in dezelfde week gecremeerd. „Mijn vader onderbrak een zeilrace voor zijn vaders crematie. Hij was een fanatieke zeezeiler. De dag erop ging hij weer aan boord.” Het schip werd overvaren, alle zes de bemanningsleden verdronken. Melle Daamen, twaalf jaar oud, bleef achter met zijn moeder in een te groot huis bij het bos. Ze verhuisden samen naar Hilversum en daarna naar Bilthoven. „Mijn moeder hertrouwde. Ik was allang blij dat er weer een man in huis was die voor haar zorgde, maar het ging al snel mis. Als mijn broer of zussen belden om te vragen hoe het met ‘mam en Bram’ ging, zei ik dat het fantastisch liep, ook al hoorde ik ze boven me ruzie maken.” Hij maakt een afwerend gebaar. „Keep away. Ik kan het wel alleen.” In die jaren is hij, zegt hij, nogalzelfstandig geworden. „Ik zat op de nogal vrije Kees Boekeschool, kookte voor mezelf, was altijd buitenshuis.”

Op zijn zeventiende kwam hij in de ledenraad van de VPRO, op zijn twintigste – hij studeerde politicologie in Amsterdam – zat hij als afgevaardigde voor die omroep in het NOS-bestuur. Extreem jong, zegt hij. „Maar vooral omdat alle andere bestuursleden zo oud waren.” In die tijd, zegt hij, was het heel gewoon om maatschappelijk betrokken te zijn. Felix Rottenberg en Paul Hermanides, die begin jaren tachtig debatcentrum De Balie oprichtten waren leeftijdgenoten die, net als hij, cultuur en ondernemen combineerden. Paul Hermanides is nu de medebedenker en uitbater van restaurant Stanislavski. Melle Daamen werd directeur van het Mondriaanfonds, is nog altijd kroonlid van de Raad voor Cultuur. Voor straks, als hij nog even in de grote zaal naar het middagprogramma gaat kijken, ligt er een dik pak papier klaar. Het museumadvies van de Raad dat hij voor maandag gelezen moet hebben.

Taai?, informeer ik. „Dat ook. Maar ook leuk om bij anderen culturele instellingen in de keuken te kijken.”

Nerd

Je vraagt je af wat hij als jonge jongen in de vergaderwereld te zoeken had. „Ik was een nerd. Een politieke nerd.” Geen meisjes? „Door die ogen van mij heb ik altijd het rare gevoel gehouden dat ik lelijk was.” Sport dan? Ook niet. Weer die ogen. „Tafeltennis is het allerergste. Ik kan geen diepte zien.” Zeezeilen, dat heeft hij altijd graag gedaan. Ik vraag of hij dat nog wel durft. Hij blijft lang stil.

Je vader?, vraag ik, voorzichtig. Hij schudt van nee. „Mijn broer.” Hij is afgelopen september tijdens het zeilen van boord geslagen en verongelukt.

Het voordeel is, zegt Melle Daamen na een poosje, dat ik allang niet meer boos ben als een naaste overlijdt. Roelf Huizenga, de vriend met wie hij twee jaar de zakelijke leiding van de Stadsschouwburg deelde, overleed in april vorig jaar. „Hij was vijftig, mijn broer net zestig, mijn vader 49. Het verdriet is er wel. Maar ik denk allang niet meer: wat onrechtvaardig. Ik weet dat het iedereen elk moment kan overkomen.”

Hij is een plezierzeiler. „Ik breng mensen graag samen op mijn boot. Ook zo’n plek waar ze boven op elkaar zitten en wel met elkaar móeten praten.” Hij heeft zich voorgenomen altijd een zwemvest te dragen. En vaker zichzelf aan te lijnen. „Vaak ben ik de enige zeiler op een boot met mensen die het niet kunnen.”