Opinie

Verborgen mutatie

Vorige week dinsdag had het al een beetje gesneeuwd. Op de Nederlandse wegen stond in totaal een file van 1.007 kilometer. De langste file óóit. Dat verzekerden alle nieuwslezers van radio en televisie ons. Wat betekent dit óóit? Langere files hebben we in onze hele vaderlandse geschiedenis niet gehad. ‘Ooit’ is de tijd die achter ons ligt, daarbij inbegrepen de eindeloosheid die aan de oerknal vooraf is gegaan. Ongelofelijk wat we in deze tijd allemaal meemaken. Terwijl het volk nog lag bij te komen van zijn verbazing, meldden alle media dat de wereldberoemde wielrenner Lance Armstrong doping had gebruikt. Dat had hij tegen Oprah Winfrey bekend. De uitzending moest nog komen. Dit was een voorberichtje om het wereldpubliek vast een beetje te laten wennen. Ik moet bekennen, ik was er ondersteboven van. Lance met doping, en niet zo’n beetje. Zeven keer de Tour gewonnen, altijd alles ontkend, zijn eerlijkste gezicht getrokken, maar nu opeens was het hoge woord eruit. Dat konden we pas de volgende dagen zien. Hij was geëmotioneerd. Zo noemen we tegenwoordig iemand die zichtbaar tegen zijn tranen vecht. Met geen woord werd gerept over het feit dat die arme man kanker had en dat hij weer is genezen.

Intussen was het behoorlijk gaan vriezen. Krijgen we dit jaar een Elfstedentocht? Daar kwamen de gebruikelijke beelden van de geweldige Friese weilanden, de knusse stadjes, de experts die gaatjes in het ijs boorden en niets nieuws te vertellen hadden. De oude helden uit 1963 werden weer geïnterviewd en intussen waren verscheidene mensen door het ijs gezakt. Als de winter blijft kwakkelen, kunnen we op z’n minst twee keer per week hetzelfde journaal vertonen, tot de eerste week van maart. Ongeveer zoals vorig jaar.

Niets nieuws onder de zon, zeggen de critici. Ja, ik weet het. We zijn hier altijd vatbaar voor sportrazernij geweest. In 1934 werd in Rome het wereldkampioenschap voetbal gehouden. Het Nederlandse publiek trad buiten zijn oevers van zelfoverschatting. Er kwam een lied: ‘We gaan naar Rome, we gaan naar Rome, we nemen Vente en Bakhuys mee.’ Onze supercracks. We kwamen niet verder dan Milaan, waar we door de Zwitsers werden uitgeschakeld. Maar gelukkig hadden we toen de Uiver, de Douglas DC2, die meevloog in de Melbourne-race. Na veel avonturen in Australië wonnen we de tweede prijs.

Op sportgebied zijn we doorgaans een land van anticlimaxen geweest. In 1974 in de laatste minuut door Gerd Müller, Der Bomber, uitgeschakeld. Terwijl we toen Cruijff al hadden. Een paar jaar geleden: weer geen wereldkampioen geworden, wel ontzettend hard op de vuvuzela geblazen. In de Tour de France van 1951 lag Wim van Est bijna op kop, het volk rook de winst, maar toen reed hij in een ravijn. Hij kwam er heelhuids uit. Hij zei: „Mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep.” Gelukkig hebben we ook onze hardloopster Fanny Blankers-Koen, The Flying Housewife en de bokser Bep van Klaveren, The Dutch Windmill. Wie wereldberoemd wordt, krijgt een een standbeeld en een bijnaam.

De tijden veranderen, voortdurend. Dat komt doordat we onophoudelijk nieuwe uitvindingen van algemene bruikbaarheid doen, waardoor de mensen zich moeten aanpassen, of ze willen of niet. Mijn moeder was een klein meisje toen het stoomtijdperk bloeide. Ze zong een liedje: ‘Alles gaat op stoom, alles gaat op stoom, behalve kleine kindertjes, die groeien aan een boom.’ Daarna is de explosiemotor gekomen, we kregen de radio, de televisie en de rest. En nu beleven we sinds ongeveer een generatie het digitale tijdperk. De veranderingen zijn in een kolkende stroomversnelling gekomen.

Als je nu een jongvolwassene uit plusminus 1900 onvoorbereid in deze samenleving zou loslaten, zou zij of hij misschien krankzinnig worden van het zich geen raad weten. Dat zou dan niet alleen komen door de veelheid aan vreemde apparatuur. Een belangrijke oorzaak zou het gedrag van de onbekende medemensen zijn. Hij ziet ze in de stad, in het vervoer, in de film en op de televisie (waaraan hij vlug gewend is), in de stadions bij de wedstrijden en in andere oorden van vermaak. Dan wordt hij als ‘reiziger in de tijd’ of misschien schipbreukeling van het verleden door de media ontdekt en in triomf van studio naar studio gevoerd.

En altijd weer dezelfde vraag: wat valt je het meest op in onze samenleving? Antwoord: dat u onophoudelijke tegen elkaar schreeuwt. En dat u daarbij vaak staat te springen of loopt te hossen. En dat u vaak het woord ‘ooit!’ gebruikt. Dat wordt niet begrepen. We doen gewoon, zeggen de interviewers. Daar gaat het om. Het is niet uitgesloten dat de westerse mens de afgelopen eeuw een mutatie heeft ondergaan, een genetische verandering. Dikkere trommelvliezen en zwaardere kuitspieren.

En niemand meer met u aanspreken.