Ruimte voor water

Op 1 februari is de Watersnoodramp van 1953 zestig jaar geleden. Door de Deltawerken veranderde Zeeland radicaal. Nu zijn ‘zachte’ oplossingen populair. Zoals een buffer van ‘wetlands’, in plaats van beton.

Inondations aux Pays-Bas en fevrier 1953 suite au raz de maree dans le nord est du pays : l' ile de Schouven sous les eaux le 2 fevrier 1953 Neg:16786bis --- Flood in Netherlands february 1953 : Schouven island under the water Credit Rue des Archives / Hollandse Hoogte xxx174xxx Rue des Archives/Hollandse Hoo>

Op het ijs tussen het riet kruisen vlugge voetjes een nijdig zigzagspoor. Hier waren een vos en een schaatser. Beiden hebben binnenkort weinig meer te zoeken in het Rammegors, een natuurgebiedje in Zeeland. Vanaf volgend jaar staat het in verbinding met de Oosterschelde. Eb en vloed keren dan terug in de slingerende kreken. Riet en struiken maken plaats voor lamsoor en zeekraal. Zoet water wordt weer zout, zoals voor 1972, toen Rijkswaterstaat dit gebied met een zware dijk afsloot.

Het Rammegors omvat nog geen 150 hectare, anderhalve vierkante kilometer. Maar in dat kleine bestek toont Rammegors hoe het denken over het beheer van de delta in zestig jaar is veranderd: van de harde ingenieursaanpak die alleen om veiligheid draaide tot de verkavelingsdrift en het schipperen met allerlei belangen.

De schorren en slikken die in het ontpolderde Rammegors zullen ontstaan, zijn compensatie voor de zoute natuur die elders in Zeeland blijft verdwijnen. De Oosterschelde heeft ‘zandhonger’, heet het sinds de voltooiing van de stormvloedkering in 1986, kroon op de Deltawerken. Doordat de zee minder snel in- en uitstroomt, kalven de naastliggende zandplaten af in de geulen. Zo krimpt het gebied dat bij laagwater droogvalt, waar vogels hun maal van schelpen en wormen bijeenscharrelen. Een zout Rammegors maakt dat getijdelandschap weer iets groter. Maar de bewoners van Tholen en Sint Philipsland zullen hun ijsbaan verliezen, en sommige boeren zijn bang dat hun grondwater verder verzilt.

„Dit is een prachtige kans om zeldzame natuur terug te krijgen”, zegt Anton van Berchum, ‘omgevingsmanager’ van Rijkswaterstaat, tijdens een koude wandeling door het Rammegors. „Maar omdat in Nederland elke vierkante meter in gebruik is, kun je niets veranderen zonder een belang te raken.”

Op 1 februari is de droevige aanleiding voor de Deltawerken, de Watersnoodramp van 1953, zestig jaar geleden. Door een fatale combinatie van storm, springtij en achterstallig dijkonderhoud verdronken in Zeeland, Zuid-Holland en Brabant ruim 1.800 mensen.

Sinds de negentiende eeuw worden al grootse plannen gemaakt om de zee voor eens en altijd te temmen. Die zee was aanvankelijk vooral de Zuiderzee. In 1918 koos Nederland definitief voor het plan van ingenieur Lely: een gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee, die na de aanleg van de Afsluitdijk (1932) zou veranderen in een zoet IJsselmeer.

In 1953 was in Zeeland de maat vol. De eeuwenlange praktijk om daar na elke overstroming dijken op te lappen, voldeed niet langer, meende de officiële Deltacommissie. Met een combinatie van technologische zwier en naoorlogse nationale zingeving werd het Deltaplan aangenomen. De zeegaten tussen de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden zouden waar mogelijk worden afgedamd. Langs de zeearmen die open moesten blijven, de Westerschelde en de Nieuwe Waterweg als poort naar Antwerpen en Rotterdam, zouden de dijken kolossaal worden versterkt.

Als in een niet zo verre toekomst ook nog dammen tussen de Waddeneilanden werden aangelegd, schreef NRC-medewerker H.J. Stuvel in 1956, zou ‘de voltooiing van Nederland’ een feit zijn. In die geest werd het Deltaplan synoniem met groot denken en aanpakken, de radicale oplossing voor een probleem van vitaal belang. Even googelen levert nu een golf aan deltaplannen op: voor onderwijs ouderenzorg, bereikbaarheid, talent, ICT, nieuwe energie, dementie en mediaopvoeding.

Vanaf 1957 werden het Veerse Gat, het Brouwershavense Gat en het Haringvliet volgens plan afgedamd. De Haringvlietdam kreeg kleppen om extra rivierwater te kunnen lozen. Ook verder landinwaarts werden dammen aangelegd.

Vanaf 1967 zou de Oosterschelde worden gesloten. Werkeilanden werden opgespoten. De pilonen voor de kabelbaan waarmee volgens beproefd recept betonblokken in zee zouden worden gestort, werden gebouwd. Maar het liep anders. Want veiligheid bleek niet langer het monopolie te hebben.

„De meeste Zeeuwen leefden met de rug naar de zee”, zegt Kees Slager, auteur van het standaardwerk over ‘De Ramp’ van 1953 die hij als jongen op Tholen meemaakte, en oud-actievoerder voor het openhouden van de Oosterschelde. „Ze waren arm en hadden helemaal geen tijd om de zee mooi te vinden. Veel Zeeuwen zagen de overstroming bovendien als straf voor hun zonden. Gods stem is in de wateren. Zwemmen was al zondig. Met zo’n instelling ben je niet geneigd van het water te genieten.”

Maar dat veranderde geleidelijk. Nederland kreeg het beter en had meer vrije tijd. De in 1971 afgesloten Grevelingen was veranderd in een stinkend meer – „een biologisch Pompeï”, zei een Rijkswaterstaat-ingenieur met wroeging. Dat stond ook te gebeuren in de Oosterschelde als het getij zou wegvallen. „Voor het eerst begonnen gewone mensen het als een verlies te zien als het unieke, dynamische landschap zou verdwijnen”, zegt Slager.

Oesterkwekers, mosselvissers en een energieke milieubeweging voerden campagne tegen het sluiten van de Oosterschelde, soms hard, soms ludiek. Dankzij het nieuwe medium televisie bereikten de actievoerders het hele land. De kwestie bleef een nationale splijtzwam, maar het in 1973 aangetreden kabinet-Den Uyl, dat nadrukkelijk groen wilde zijn, besloot alternatieven te bestuderen.

In 1976 hakte de Tweede kamer de knoop door: er zou een acht kilometer lange ‘pijlerdam’ komen, die bij zware storm met 64 beweegbare schuiven kon worden afgesloten. Die kwam er ook omdat de machtige Deltadienst van Rijkswaterstaat, een staat-in-de-staat, over zijn eigen schaduw sprong. In plaats van ‘domme’ dammen te blijven storten, rook een nieuwe generatie ingenieurs de kans voor een reuzenstap, inclusief profijtelijke spin-off. De benodigde technologie moest nog grotendeels van de tekentafel komen. Zelfs de machines en schepen om de kering te kunnen bouwen werden speciaal ontworpen.

De stormvloedkering betekende een keerpunt in het eenzijdige veiligheidsdenken: het was een duur maar opwindend compromis tussen veiligheid, natuurbehoud, recreatie en economische belangen van vissers. Het getij werd weliswaar gedempt, maar de Oosterschelde bleef zout.

Door de Deltawerken veranderde Zeeland radicaal van gedaante. Maar verandering hoort nu eenmaal bij Zeeland, zegt Kees Slager. „Polders kwamen en gingen, vóór de dijk heb je eb en vloed, en achter de dijk het ritme van ploegen, zaaien, wieden, oogsten en weer ploegen.” Tussen de nostalgische verzuchtingen over wat er sinds 1953 verloren ging (het trekpaard, de bruine vloot), hoor je soms ook een ander geluid. Bijvoorbeeld dat de Neeltje Jans, met die golvende kraag van pijlers en de zee die er bijna altijd doorheen schuimt, met zijn windmolens en zijn typische licht, onder wolken die het water weerkaatsten, toch ook wel mooi is.

En als je vanaf de dijk bij het Rammegors over het water kijkt, is er geen elektriciteitsmast te zien. Als je geluk hebt, gaat er net een platbodem voor anker, of die ene golf blijkt een bruinvis. Dan lijkt zelfs de tijd er stil te staan.

De kering werd voltooid in 1986 tegen een kostprijs van omgerekend 2,5 miljard euro. Dat was veel geld, en een forse budgetoverschrijding. Maar de schade van een nieuwe watersnoodramp zou veel hoger kunnen uitvallen, dus als ‘verzekeringspremie’ viel het wel mee. De aanleg van de hsl was trouwens drie keer zo duur, en in de tien jaar die de bouw van de pijlerdam duurde, liep de Nederlandse staatsschuld met ruim 100 miljard euro op.

Wat de baten zijn van bijvoorbeeld het toerisme op de Zeeuwse archipel, die door de nieuwe wegen over de dammen uit zijn isolement werd gehaald, is moeilijker in cijfers te vatten. Dat geldt ook voor de economische spin-off in de vorm van buitenlandse opdrachten voor Nederlandse ingenieursbureaus en baggeraars. Alle waterbouw is maatwerk en de Deltawerken zijn geen projecten die je ‘uit de la kunt halen’. Maar een paar decennia na de voltooiing verlenen ze de reputatie van Nederlandse waterbouwers onverminderd glans.

„De stormvloedkering is gesloten. De Deltawerken zijn voltooid. Zeeland is veilig”, zei koningin Beatrix bij de inhuldiging van het nieuwe waterwerk. Die laatste twee mededelingen waren feitelijk onjuist. In 1997 werd de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg als laatste van de Deltawerken in gebruik genomen. En dijkversterkingen in Zeeland lopen tot 2015. De provincie is veel veiliger dan voorheen, maar absolute veiligheid bestaat niet.

„De delta is veilig maar kwetsbaar”, zegt Deltacommissaris Wim Kuijken in zijn Haagse kantoor op circa twintig meter boven NAP. „Risico hoort erbij; dat is de moeilijke maar eerlijke boodschap.” Kuijken, oud-secretaris-generaal op verscheidene ministeries, bereidt sinds 2010 kabinetsbeslissingen voor om Nederland de komende honderd jaar te beveiligen tegen overstromingen en tekort aan zoetwater. Het geld daarvoor komt uit een nieuw Deltafonds, waarin per jaar meer dan een miljard euro wordt gestort en dat niet voor andere, opportunistische doeleinden kan worden gebruikt.

Voor Kuijken valt het woord ‘delta’ samen met Nederland, dat in feite een groot systeem van bewegend water is. „Als je weet dat de zeespiegel stijgt, de bodem daalt, de rivieren vaker pieken en dat 60 procent van het land overstroombaar is, móét je wel iets doen”, zegt hij. Maar sinds 2010 betekent ‘iets doen’ ook iets nieuws: geen paniekvoetbal na elke watercrisis, maar bedachtzaam vooruit plannen, zegt Kuijken. Een nieuwe afvoer voor rivierwater via het Volkerak bijvoorbeeld, het terugbrengen van het getij in de Grevelingen, of een – excusez le mot – deltaplan voor de dijken van Rijnmond en bij Dordrecht. Want die ‘achterdeur van de Randstad’ zou onvermijdelijk worden ingetrapt als een 1953-achtige opstuwing van de zee samenvalt met een piekafvoer in de rivieren.

Bas Jonkman, hoogleraar Integrale Waterbouw aan de TU Delft, beaamt de noodzaak voor actie. Volgens hem voldoet nog steeds 1.200 kilometer dijk, eenderde van de totale lengte, niet aan de normen. Met name langs de grote rivieren is er reden tot zorg. Vooral het risico van piping, waarbij rivierwater via de ondergrond achter de dijk komt en deze ondermijnt, is een groter probleem dan verwacht. Wat het risico is, was te zien bij de ‘bijna-rampen’ tijdens de overstromingen in de jaren 90, waarbij 250 duizend mensen werden geëvacueerd. Zelfs de Grebbedijk vertoonde lekken tijdens het hoogwater vorig jaar. Als die breekt, kun je naar Amersfoort kanoën.

Dat Nederland ooit ‘af’ zou zijn, is een illusie. „En als je ziet wat er in de rest van de wereld gebeurt, zoals de Japanse tsunami, de overstromingen in Thailand, New Orleans of New York, is het naïef te denken dat het bij ons wel goed zit”, zegt Jonkman.

Maar de oplossing ligt niet altijd in meer beton, klei en ijzer. Het programma ‘Ruimte voor de rivier’, waarin Rijkswaterstaat samenwerkt met waterschappen, provincies, gemeenten en zelfs met individuele bewoners, is zo’n ‘zachte oplossing’. Daarbij wordt een gezwollen rivier niet tussen dijken geklemd, maar kan deze uitvloeien over uiterwaarden en nieuw aangelegde boezems, ‘hoogwatergeulen’ en ‘spitsstroken’.

Om de zeespiegelstijging en stormen het hoofd te bieden moet de Zeeuwse en Hollandse kust verder versterkt worden. Om te beginnen op zwakke plekken, zoals de Hondsbossche Zeewering bij Petten, maar uiteindelijk over de hele linie. Dat gebeurt nu door het opspuiten van zand uit zee, zandsuppletie. Maar het idee wint veld om de zee een deel van het werk te laten doen. De ‘Zandmotor’ bij Kijkduin is een proefproject voor het zogeheten ‘Bouwen met de natuur’. Daar is een schiereiland van zand in zee aangelegd. Het lijkt vooralsnog Spielerei, maar het idee is dat het zand in de loop der jaren door de zee wordt meegenomen en elders langs de kust wordt afgezet, waardoor suppletie overbodig wordt.

Maar de nieuwe methodes kunnen de traditionele niet vervangen. „Ik ben niet tegen nieuwe oplossingen, maar het moet geen dogma worden”, zegt Jonkman, die de dynamiek van de rivieren nu als een grotere uitdaging beschouwt dan de zee. „De rivier over het land laten lopen, een buffer van wetlands, plus voor iedereen een noodpakket is geen substituut voor een stevige waterkering”.

De twee Tholense vrouwen in degelijke rokken die met hun kroost op het Rammegors aan het schaatsen zijn, denken er globaal ook zo over. Ontpolderen en extra ruimte voor de zee is met de herinnering aan 1953 onder de lokale bevolking nooit een pakkend thema geworden. „We hebben al genoeg zout in de Oosterschelde”, zegt een van de vrouwen.

„Voor jou voelt zout als niks bijzonders”, zegt de meewandelende boswachter Dirk Fluijt van Staatsbosbeheer, eigenaar van het Rammegors. Moeiteloos schakelt hij over in dialect. „Het is ’r altijd gewist en het zit je in d’aederen. Maer voor ’n bûtenstaender is het uniek.”

    • Hans Steketee