Ontdekt, vergeten, opnieuw ontdekt

Psycholinguïstiek

In de negentiende eeuw hadden taalwetenschappers soms briljante invallen. Hun ideeën raakten vergeten, maar zijn nu weer in zwang.

Hoe goed is het geheugen van de wetenschap? Niet altijd even goed. Er wordt nogal eens iets ontdekt dat eerder ook al ontdekt was.

Bijvoorbeeld. Lang is gedacht dat mensen die lijden aan de afasie van Broca niet grammaticaal kunnen spreken. Rond 1990 ontdekte men echter dat deze mensen geen probleem hebben met hun grammaticale kennis, maar met hun werkgeheugen. Wat de onderzoekers toen niet wisten, was dat Max Isserlin al in 1921 had aangetoond dat Broca-patiënten grammaticaal konden praten, zij het met heel veel moeite.

Ander voorbeeld. Wilhelm Wundt tekende rond 1880 als eerste een boomdiagram, waarin de opbouw van zinnen werd weergegeven als een boom die zich vertakt in zinsdelen en woorden (zie tekening). Daarna heeft het vijftig jaar geduurd voordat er weer iemand op het idee kwam om dat zo weer te geven. Tegenwoordig is er geen taalkundige te vinden die niet met boomdiagrammen werkt.

Zo zijn er in de taalwetenschap wel vaker dingen ontdekt, vergeten en vervolgens opnieuw ontdekt. Pim Levelt, die in 1976 de oprichter was van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek, schreef, nadat hij in 2006 met emeritaat was gegaan, een boek over de vroege geschiedenis van zijn wetenschap, de psycholinguïstiek, van 1770 tot 1951. Het boek is net uit en wordt de komende week gepresenteerd tijdens een driedaags symposium in Nijmegen.

“Ik heb altijd al interesse gehad in de geschiedenis van mijn vak”, vertelt Levelt in zijn woning in Amsterdam. De psycholinguïstiek probeert te achterhalen welke mentale processen er ten grondslag liggen aan spreken en naar taal luisteren. “Bij ieder onderwerp haal ik ook altijd de oude boeken uit de kast. Toch even kijken wat de oudjes erover gezegd hebben.”

Neem het inmiddels beroemde Stroop-effect. John Ridley Stroop deed in 1935 een experiment dat over interferentie ging: hoe twee processen elkaar kunnen verstoren. Hij liet mensen kleurnamen, bijvoorbeeld het woord ‘rood’, zien en dat moesten ze dan hardop lezen. Die gedrukte woorden bood hij vervolgens in verschillende kleuren aan. Hij vroeg om nu niet het woord zelf te lezen, maar de kleur ervan te benoemen. Als de letters van het woord ‘rood’ dan bijvoorbeeld groen waren, ging dat benoemen meteen een stuk moeizamer. Dan had de proefpersoon 100 tot 150 milliseconden meer nodig. “Wat veel is, hoor”, zegt Levelt. “Dat staat nu bekend als het Stroop-effect. En ook dat is dus weer verloren gegaan. Het beroemde boek van George Miller Language and communication, uit 1951, dat een heel precies literatuuroverzicht beoogt te zijn, daar staat bijna alles in, maar niet het experiment van Stroop. Stroop is pas in de jaren zestig herontdekt. En nu is zijn arikel het meest geciteerde artikel in ons vak!”

Ook in andere experimenten met reactietijden is later het wiel opnieuw uitgevonden. Zoals in het geval van de beroemde Nederlandse geleerde Franciscus Donders: “Die heeft in de negentiende eeuw bedacht hoe je de duur van mentale processen kunt meten. Dat was werkelijk een doorbraak. Als er toen een Nobelprijs was geweest, had hij hem gekregen.”

Reactietijd

Donders vroeg een collega om, zodra hij de lettergreep ‘kie!’ hoorde, zo snel mogelijk met ‘kie!’ te reageren. Hij mat de reactietijd, in milliseconden. Vervolgens deed hij een tweede experiment. Er werden nu een stuk of zes stimuli aangeboden, naast ‘kie!’ ook ‘ka!’, ‘ko!’, etcetera. Ook nu was de opdracht: reageer met ‘kie!’ als je ‘kie!’ hoort – en als je wat anders hoort, hoef je niet te reageren. In dit tweede experiment moest de proefpersoon de stimuli onderscheiden. En dan bleek de reactietijd langer.

Levelt: “Donders had daarmee de duur van de mentale discriminatietijd gemeten. Goed. Dat weten we dan, zou je zeggen. Daar kunnen we op verder bouwen. Maar nee hoor. De informatietheorie heeft dat rond 1950 helemaal opnieuw moeten ontdekken: hoe groter het aantal alternatieven, hoe langer de reactietijd en hoe groter de informatiewaarde van dat signaal. Donders wist dat al – tachtig jaar eerder.”

Donders had bovendien ontdekt dat zich aan de responskant een vergelijkbaar effect voordoet. Het maakt uit of er maar één vorm van respons is – op een knop drukken bijvoorbeeld – of dat je ook daar moet kiezen uit verschillende alternatieven – uit twee knoppen bijvoorbeeld. Hoe meer mogelijke responsen, hoe langer de reactietijd.

In een beroemd experiment van George Miller, rond 1950, moesten de proefpersonen op gesproken woorden reageren door die woorden te herhalen. Daar speelden twee dingen tegelijk: keuze uit verschillende stimuli én keuze uit verschillende responsen. Miller besefte niet dat dat uit elkaar gehaald moest worden. Donders had daar, in de negentiende eeuw, al wel aan gedacht.

Waarom ging dat allemaal verloren? Daar zijn een paar redenen voor, denkt Levelt. Allereerst sloeg de belangstelling na 1900 om. “Dat meten van reactietijden raakte uit de mode. Er kwam een nieuwe generatie, jonge Turken zou je ze nu noemen, en die zeiden: we gaan het helemaal anders doen. We geven mensen een denktaak, en als ze die uitgevoerd hebben, vragen we: kun je me nu vertellen hoe je het gedaan hebt? Introspectie dus.”

Levelt is daar niet erg enthousiast over: de processen die ten grondslag liggen aan spreken en verstaan, daar heeft ons bewustzijn geen directe toegang toe. Die kun je alleen via experimenten boven water krijgen.

“Maar er is nog een andere reden waarom er tussen 1900 en 1950 veel kennis verloren ging: de beide wereldoorlogen. Duitsland en Oostenrijk waren dominant in dit vakgebied. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde dat, het gewicht verschoof naar de Angelsaksische wereld. En met de opkomst van de Nazi’s en de Tweede Wereldoorlog was het Schluß met de taalpsychologie in Duitsland.”

Het zwaartepunt kwam helemaal in de Verenigde Staten en Engeland te liggen. Wat eerst Sprachphilosophie had geheten en daarna Psychologie der Sprache, kreeg in Amerika een nieuwe naam: psycholinguistics.

Levelt, met een brede glimlach: “Een groot deel van mijn collega’s denkt zelfs dat het vak ontstaan is in de jaren vijftig. Terwijl daar verdorie bijna tweehonderd jaar empirische wetenschap aan vooraf is gegaan. Zo erg is dat verloren gegaan! Die oudere geschiedenis is voor een groot deel Europees, en dat is niet allemaal meegekomen naar Amerika. Ze kenden daar ook geen Duits en Frans meer. Ze lazen de oude literatuur niet meer.”

Geheime codes

Ondertussen hadden Engeland en de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog veel geld en mankracht gestoken in militair onderzoek naar radar- en telefoonsignaalverwerking, en geheime codes en het ontcijferen daarvan. “Dat was interessant genoeg een heel interdisciplinair bedrijf. Ingenieurs, neurologen, wiskundigen, mensen die het menselijk gehoor bestudeerden, psychologen en taalkundigen die zich bezighielden met het verstaan en produceren van gesproken zinnen. Dat leidde tot een nieuw elan.”

“De belangrijkste invloed die daaruit ontstaan is, is die van de informatie- of communicatietheorie. Claude Shannon heeft die theorie bedacht, gedurende de oorlog. Die was eerst classified. Pas in 1948 mocht hij erover publiceren. Dat werd het boek The mathematical theory of communication, dat een enorme invloed heeft gehad op het hele onderzoek naar menselijke communicatie.

“Die theorie zegt bijvoorbeeld dat de informatiewaarde van een signaal – zoals een woord – afhankelijk is van het aantal alternatieve signalen. Maar dat had Donders dus ook al ontdekt!”

Een tweede inzicht was dat de informatiewaarde van een signaal (zoals een woord) ook afhankelijk is van de waarschijnlijkheid van voorkomen. Als je de zin ‘De kinderen waren aan het ...’ af moet maken, zul je daar eerder ‘spelen’ dan ‘blaffen’ invullen. ‘Blaffen’ is minder waarschijnlijk en dus informatiever. Want een minder waarschijnlijk signaal draagt meer informatie – een inzicht waar je statistisch mooi mee aan de slag kunt.

Als onderzoeker heeft Levelt ook wel eens meegemaakt dat hij iets bedacht dat honderd jaar eerder al door een ander bedacht was. “Van huis uit ben ik experimenteel psycholoog. Mijn dissertatie ging over ‘binoculaire interactie’: hoe we de beelden uit twee ogen combineren. Hoe dat werkt. Daar had ik, vond ik, een belangrijke ontdekking gedaan. Ik had dat allemaal opgeschreven en bijna afgerond, toen ik in de bibliotheek een boekje vond van Ewald Hering, uit 1864. En verdomd, zonder dat hij experimenten gedaan had, beschreef hij daar wat ik met veel experimentele moeite ontdekt had. Hij had het zelfs al een naam gegeven: Gesetz der komplementären Anteile. Ik heb dat nog net in mijn proefschrift kunnen vermelden.”

Nog een voorbeeld van iets dat al eerder bedacht was – zij het zonder enige vorm van experimentele bewijsvoering. “In de begintijd van mijn instituut werkte bij ons William Marslen-Wilson. Die bedacht de cohort-theorie, wat later een invloedrijke theorie is geworden. Over hoe je een woord herkent. Als je het woord ‘kerk’ hoort, hoor je eerst de ‘k’ en daarbij worden in je hoofd alle woorden die met ‘k’ beginnen geactiveerd. Daarna hoor je de ‘e’ en dan wordt dat ‘cohort’ van geactiveerde woorden teruggebracht tot alle woorden die met ‘ke’ beginnen. En zo verder. Tot er uiteindelijk maar één woord overblijft en dat is wat je uiteindelijk herkent.

“En verdorie, ik kom een artikel tegen uit 1894 van Exner, een bekende Weense neuroloog uit die tijd. En die heeft dat precies zo bedacht. Zo van: het moet wel zo gaan. Niemand heeft dat later ooit nog gelezen.”

Mensen hadden soms fantastisch goede intuïties in de negentiende eeuw, vindt Levelt. “Er werd toen veel gedurfder getheoretiseerd. Dat begint allemaal tegen het eind van de achttiende eeuw. Er wordt diep nagedacht over hoe taal ontstaan is, of talen verwant zijn, of ze een gemeenschappelijke oorsprong hebben. En ook dan al vragen ze zich af hoe dat werkt in de geest van de individuele taalgebruiker. En hoe dat gewerkt kan hebben bij de oermensen die ooit met taal begonnen zijn. Men gaat ook opeens dagboeken bijhouden over de taalontwikkeling van kinderen, en daar wordt ook heel gedurfd over getheoretiseerd.

“Ze waren niet bang om grote theorieën op te zetten. De boeken werden vaak erg dik. Erg empirisch was dat allemaal nog niet. Er werd heel veel alleen maar zittend wetenschap bedreven. Maar zelfs dan kun je een heel eind komen. Als je goed observeert, goed nadenkt, kun je belangrijke vragen stellen en daar eerste antwoorden op schetsen.”

Terug naar het vergeten van ontdekkingen. Gebeurt dat ook in andere wetenschappen? Jazeker, zegt Levelt. Hij heeft een voorbeeld dicht bij huis. “Mijn oudere zus is een bekende natuurkundige. Toen zij gepensioneerd was, is ze ook de geschiedenis van haar vak gaan bestuderen. Zij heeft een boek geschreven over de scheiding van vloeistoffen.

“Als je water en benzine samen in een reageerbuis doet, dan scheiden ze zich. Daar is rond 1900 al een heel nauwkeurige en prachtige theorie over ontwikkeld, door de Nederlanders Van der Waals en Kamerlingh Onnes. En een hele knappe Amsterdamse wiskundige, Diederik Korteweg, heeft het theoretische werk daaraan gedaan. Dat is allemaal later opnieuw bedacht, in Amerika. Mijn zusje was daarover geïrriteerd. Ze dacht: dat is al lang bekend! Toen heeft ze dat boek geschreven.

“Dus ja, het gebeurt ook in andere wetenschappen. Maar ik denk dat het in de natuurkunde minder gebeurt. Omdat daar cumulatiever wordt gewerkt. Er wordt meer voortgebouwd op ontdekte wetten. Ofschoon ik dat niet echt zeker weet.

“In mijn eigen vak, de psycholinguïstiek, gaat er nu ook minder verloren dan vroeger, denk ik. De replicatiedichtheid is nu behoorlijk groot, in het experimentele werk. Als ik een experiment deed met een mooie uitkomst, werd dat experiment door anderen ook gedaan. En als ze vonden dat ik het niet goed had, kreeg ik meteen de volle laag en moest ik het overdoen.”

Maandag begint in Nijmegen een driedaags symposium over de geschiedenis van de psycholinguïstiek. Levelt is de belangrijkste spreker. Zie www.mpi.nl/nijmegen-lectures-2013.

    • Berthold van Maris