Mijn eigen dood, ik denk er nooit aan

Sergio Orlandini (91), tot 1987 president-directeur van de KLM, kijkt terug op zijn leven.Hij maakte een kaping en een vliegramp mee. „Mijn oude collega’s, daar zijn er al heel wat van dood. Zo gaat dat.Daar is niets bijzonders aan.”

Nederland, Laren, 15-01-2013 Sergio Orlandini (en zijn vrouw Diane) is een voormalig president-directeur van Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM). PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Roger Cremers - 2013

‘Mijn tijd is voorbij”, zegt Sergio Orlandini (Milaan, 1921) aan de telefoon, eerder opgewekt dan droevig. „Wat moet ik vertellen?” Hij heeft niet veel zin in een gesprek. Maar hij laat zich ompraten.

Van 1973 tot 1987 was hij president-directeur van de KLM. Daarna was hij commissaris bij allerlei grote bedrijven. Heineken, ABN, De Bijenkorf, DAF. Hij was bestuurslid van de New York Stock Exchange, de eerste Nederlander in die positie. Er waren maar weinig mensen die hem niet kenden.

Zijn krullen heeft hij nog. Dat is het eerste wat opvalt als hij de voordeur opendoet. Ze zijn nauwelijks grijs geworden. Hij is wel wat gekrompen en hij loopt gebogen, op witte sportschoenen.

Hij woont in Laren, bij de hei. Op de tafel ligt een luchtvaarttijdschrift. Het is opengeslagen bij een verhaal over vliegrampen. „Dat soort dingen interesseert me nog steeds”, zegt hij. „De oorzaak wordt vaak gezocht in een storing aan de machine. Maar het gaat ook bijna altijd om menselijke fouten.”

U was...

„Ik weet wat u wilt zeggen. Ik was president-directeur van de KLM toen de ramp op het vliegveld van Tenerife gebeurde.”

Dat was in maart 1977. Een Boeing 747 van de KLM botste in de dichte mist op een Boeing 747 van Pan Am: 583 doden – de grootste ramp in de geschiedenis van de luchtvaart. De bemanning van de Pan Am nam de verkeerde afslag op de landingsbaan. De gezagvoerder van de KLM begon zonder toestemming aan de start.

Denkt u er nog vaak aan?

„Bij elk gesprek dat in die richting gaat. Bij alles wat ik over vliegrampen zie of lees. Het vreemde is alleen dat ik niet kan vertellen wat ik dan denk. Alles zit in dat ene woord: Tenerife.”

Zijn vrouw, Diane Orlandini (New York, 1936) heeft koffie gemaakt en komt erbij zitten. Er zijn ook zelfgemaakte muffins. Ze kijkt naar haar man, belangstellend, maar ook bezorgd.

Waar denkt u nog meer vaak aan?

Orlandini glimlacht en zwijgt.

„Mag ik het zeggen?”, vraagt zijn vrouw aan hem.

Hij knikt.

„Mijn man...” Ze aarzelt even. „U moet weten dat hij is opgegroeid in Noordwijk, maar zijn stiefgrootvader woonde in Hilversum.” Ze wijst in de richting van de hei. „Met de feestdagen logeerden ze daar met de hele familie.”

Ze kijkt weer naar haar man. „Dat vond je zo indrukwekkend. Daar heb je het nog vaak over. De feesten, de diners... jij in smoking... Een klein jongetje was je nog maar.”

„We hadden een hotel in Noordwijk”, zegt Orlandini. „Hotel Belvédère. Het is kort geleden afgebroken. Er komen appartementen voor in de plaats.”

Zijn vrouw: „Je bent nog steeds dol op Noordwijk.”

Orlandini: „Het is daar wel erg veranderd.”

Zijn vrouw: „Zijn stiefgrootvader was Jacques Urlus.” Dat was een wereldberoemde operazanger, vooral door zijn Wagner-vertolkingen.

Orlandini: „Is dat interessant?”

Zijn vrouw: „Ja, dat vind ik wel. Je stiefvader was ook zanger en omdat hij in Milaan was gaan studeren...”

Ze vertelt dat Orlandini’s eigen vader aan tyfus stierf toen Orlandini een paar maanden oud was. Zijn moeder hertrouwde met de zoon van Jacques Urlus – die heette Emanuel Urlus – en ze gingen naar Duitsland, want daar kon hij rollen krijgen. Dat was nog ver voor de Tweede Wereldoorlog.

Orlandini: „Ik herinner me dat we in Wuppertal en Kiel woonden.”

Zijn vrouw: „Toen de contracten afgelopen waren, zijn ze naar Nederland gegaan. Zijn stiefvader was Nederlander. Ze vestigden zich in Noordwijk.”

Orlandini: „En daar zijn ze dat hotel begonnen.”

Zijn vrouw: „Een goed hotel. Jouw moeder was de drijvende kracht erachter.”

Ze heeft zijn moeder nog meegemaakt, want die leefde nog toen ze Orlandini leerde kennen. Dat was in 1959. Ze werkte voor de KLM in New York. „In het begin sprak ik Frans met je moeder. Weet je nog? Ik sprak nog geen Nederlands en zij sprak geen Engels.”

Ze lacht. „Zijn moeder sprak Italiaans en Duits en Frans. Ze was een heel lieve vrouw, altijd in een goed humeur.”

Met Orlandini’s vader had ze nog vier kinderen gekregen. Als het badseizoen voorbij was, gingen ze in de auto naar Milaan, op familiebezoek. „Dat zegt wel wat, dat jullie een auto hadden”, zegt Orlandini’s vrouw. „Het was voor de oorlog.”

Orlandini: „Ik fietste naar school.”

Zijn vrouw: „In Oegstgeest. Altijd tegen de wind in. Waar ik weleens aan moet denken – dat ik je moeder nooit naar je echte vader heb gevraagd. Dat is toch wonderlijk? Ik weet alleen dat hij Antonio heette, verder niets. Ik weet niet eens wat hij deed.”

Orlandini: „Ik weet het ook niet. Ik heb zijn achternaam, dat is alles.”

Zijn vrouw: „Pas in de oorlog, omdat het moest van de Duitsers. Je studeerde in Delft.”

Orlandini: „Dat is zo lang geleden allemaal.”

Hij staat op en gaat in de huiskamer zitten. Zijn vrouw kijkt hem na en vertelt dan dat hij, toen de Technische Hogeschool [nu Technische Universiteit] gesloten was, in Scheveningen in de gevangenis heeft gezeten. Alle studenten waren opgepakt. Orlandini kwam na een nacht weer vrij.

In 1943 werd Noordwijk Sperrgebiet. Hotel Belvédère werd gevorderd en de hele familie ging in een klein huis ernaast wonen. Dat huis heette ‘de Tulp’. Later verhuisde de hele familie naar het huis van Orlandini’s stiefgrootvader. „Ik vind dat zo interessant allemaal”, zegt ze. „Waarom wil hij er nou niet over praten?”

Na de oorlog kwamen Orlandini’s Italiaanse grootouders ook naar Nederland, naar Hotel Belvédère. Ze bleven er tot hun dood wonen. Hun huis in Milaan was verwoest.

Zelf groeide Diane Orlandini op met een gouvernante. Een familieleven kreeg ze door haar man. Ze trouwde in 1961 en ze weet nog hoe moeilijk Nederlanders het in die tijd vonden om haar voornaam goed uit te spreken: Dai-èn. Dat veranderde toen prins Charles met Diana Spencer – Lady Di – trouwde.

Orlandini’s vrouw loopt naar de huiskamer om haar man terug te halen. „Jij moet over de KLM vertellen. Dan ga ik boodschappen doen.” Maar in plaats daarvan maakt ze nieuwe koffie en komt er weer bij zitten.

Na de oorlog studeerde Orlandini economie in Rotterdam. De KLM was zijn eerste en enige werkgever. Hij begon er in 1951 op de afdeling planning. Het was niet zijn doel om de baas te worden. „Het ging vanzelf”, zegt hij. „Het gebeurde gewoon.”

Hij weet nog wel goed wat er gebeurde toen hij net tot president-directeur benoemd was: drie Palestijnen kaapten boven Irak een Boeing 747 van de KLM.

„Dat toestel kwam uit Beiroet”, zegt Orlandini. „Daar waren de kapers aan boord gegaan. Ze hadden hun wapens verstopt in speelgoed. Het was een vreemde geschiedenis, want ze hadden geen duidelijke eisen of plannen. Ze spraken ook bijna geen Engels. De bemanning noemde hen...” Hij denkt na en intussen loopt zijn vrouw naar de huiskamer. Dan weet hij het weer. Streepjespak, Pistolen Paultje en Ketelbinkie.

Alsof het een jongensavontuur was.

„Maar een gevaarlijk jongensavontuur. Ze waren met iets bezig waarvan ze het effect ook niet overzien hadden. Ze bleven maar rondvliegen, want er was in het hele Midden-Oosten geen land dat hen wilde hebben. Ik ben toen naar Malta gegaan, want de president van Malta...” Hij denkt weer even na. „Dom Mintoff heette hij, die wilde wel bemiddelen. Een aardige man was dat. En hij deed het goed, want hij wist alle passagiers en de stewardessen vrij te krijgen in ruil voor kerosine.”

En in ruil voor twee nieuwe gijzelaars.

„De heer Wiltholt en de heer eh... Koedam. Die zijn toen namens de KLM vrijwillig aan boord gegaan.”

Dapper.

„Heel dapper. Dat zijn geen dingen die je vergeet.”

Daarna landde de Boeing in Dubai – een afgedwongen landing, want de brandstof begon op te raken. Het crisisteam van de KLM had de kapers ervan weten te overtuigen dat Dubai hun een vrijgeleide zou geven. Het was bluf, maar na nog een dag onderhandelen gaven de kapers op. „De bemanning kwam vrij”, zegt Orlandini. „Wat er van de kapers is geworden, weten we nog steeds niet.”

Dan zwijgt hij.

Herinnert u zich ook de angst?

„Jawel... jawel... Maar vooral dat het allemaal zo vreemd was. We kregen niet de indruk dat de kapers zelfmoord in hun boekje hadden staan. En ze konden zelf dat vliegtuig niet besturen, dat maakte ze in zekere zin van ons afhankelijk. Wij bleven vriendelijke geluiden tegen ze maken.”

Zijn vrouw komt terug met een fotoboek van voor de oorlog.

Voorin een foto van Jacques Urlus als Siegfried, met een helm op zijn hoofd en een speer in zijn handen.

Verderop een foto van de kleine Orlandini die – in een pofbroek en een bloesje met een kanten kraag – tussen zijn moeder en zijn stiefvader in staat. Die hebben de armen om elkaar heen geslagen en stralen van geluk.

Dan een foto van zijn moeder in bed met een baby aan de borst. De kleine Orlandini staat ernaast.

„Zijn moeder had geen krullen,” zegt Orlandini’s vrouw. „Die moet mijn man dan wel van zijn vader hebben.”

Orlandini: „Dat is toch onbelangrijk?”

Zijn vrouw: „Mijn man is bijna te bescheiden. Dat is ook zijn kracht. Hij heeft zich nooit beter gevoeld dan een ander. U zou met zijn collega’s moeten praten.”

Orlandini: „Mijn oude collega’s, daar zijn er al heel wat van dood. Zo gaat dat. Daar is niets bijzonders aan.”

Zijn vrouw: „Dat is zo.” Ze trekt haar jas aan – ze gaat nu echt boodschappen doen.

„Kijk”, zegt Orlandini. Hij wijst naar de koolmeesjes die in de tuin besjes aan het eten zijn. „Dat gaat altijd door. Waar zouden ze hun nesten hebben? Wonderlijk, dat heb ik me nooit eerder afgevraagd.”

Denkt u aan uw eigen dood?

„Het zal u verbazen, maar ik denk daar helemaal niet aan. Ik verlang er ook niet naar. Ik merk het wel. Het familieleven, mijn kinderen, mijn kleinkinderen, dat is wat telt. Ik heb een lieve vrouw, ze is mooi, heel mooi... We hebben het altijd goed gehad samen. De concurrentie is nul geweest, helemaal nul. Je denkt wel eens: aardige meid. Maar het is altijd bij de waarneming gebleven. Ik heb nooit enige aanleiding gegeven tot gossip.”

U verkeerde in een wereld vol glamour.

„Voor mij was het gewoon mijn dagelijkse werk.”

Hij houdt zijn hoofd schuin en luistert naar het nauwelijks waarneembare geluid van een vliegtuig dat overkomt. „Twee motoren”, zegt hij. „Er loopt een airlane over ons huis heen. Hoe laat is het? Het moet tegen enen zijn. Aankomsten, aansluitingen, dat is allemaal gecoördineerd. Dat was vroeger niet anders dan nu. Er zijn nu meer vliegtuigen, het is complexer geworden, maar dat doet aan het principe niets af.”

Dan gaat hij bij het raam staan en kijkt naar de lucht. „Het ziet er verdacht uit met die mist. Op Schiphol zal het wel minder zijn, anders zouden er niet zoveel vliegtuigen overkomen. Luister! Daar is er weer één... Twee motoren.”