Mama betaalt, dus mama bepaalt

De financiële gevolgen bij een foute studiekeuze worden alsmaar groter. Ouders – de geldschieters – bepalen daarom vaker de toekomst van hun zoon of dochter. Speciaal voor hen zijn er open dagen.

Het liefst zou de 17-jarige zoon van Nel Barendsen piloot worden. Maar vanwege het grote overschot aan piloten ligt het werk in die sector niet bepaald voor het oprapen. Een andere studie kiezen lijkt daarom verstandig. Makkelijk gezegd, maar niet makkelijk gedaan, ervaart Barendsen: „Hij zit al in havo 5, maar heeft nog steeds geen enkel idee. Ik moet hem naar open dagen dúwen.”

Net als zo’n dertig andere ouders heeft Barendsen zich aangemeld voor de Ouderworkshop Studiekeuze op de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Na vanavond hopen ze hun kind beter te kunnen helpen bij het kiezen van een vervolgstudie.

De twee coaches delen aan het begin van de workshop gele memoblaadjes uit. Alle deelnemers mogen daarop één vraag stellen die ze graag beantwoord zouden krijgen. Een vader betwijfelt of zijn zoon na het vwo wel naar de universiteit moet gaan – is de vastere structuur van het hbo niet beter voor hem? De zoon van een ander echtpaar is al twee keer gestopt met zijn studie. Maar wat is nou wél een goede keuze, vragen zijn enigszins wanhopige ouders.

Het kiezen van een juiste studie lijkt belangrijker dan ooit. Zeker nu er vanwege de crisis in veel sectoren nauwelijks werk te vinden is. „Jongeren die voor piloot willen studeren, raad ik dat sterk af”, zegt Tinka Overzier, een van de coaches van de workshop. Uit De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2016, een rapport van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA), blijkt dat de werkgelegenheid in alle beroepsklassen zal dalen, met uitzondering van de medische en paramedische beroepen en de verzorgende en dienstverlenende beroepen. Voor de creatieve beroepen (zoals kunstenaars, grafische ontwerpers en taalkundigen) is de verwachte vraag naar arbeid de komende jaren het meest negatief van alle beroepen. De werkgelegenheid neemt jaarlijks tot 2016 met gemiddeld 1,4 procent af.

De moeilijke arbeidsmarkt dwingt tot het maken van een slimme studiekeuze. De bezuinigingsmaatregelen in het onderwijs dwingen ook tot goed kiezen en snel afstuderen. Studenten die nu studeren of daar in september mee beginnen, krijgen maandelijks nog een basisbeurs van 251,76 euro (voor uitwonende studenten) of 77,15 euro (voor thuiswonende studenten). Iedereen die in september 2014 of later aan een nieuwe studie begint, krijgt waarschijnlijk helemaal geen basisbeurs meer. In plaats daarvan zullen studenten – tegen een gunstig tarief – een lening kunnen afsluiten om hun studie te bekostigen. De studieschuld na een vierjarige opleiding zal gemiddeld 14.700 euro zijn. Deze bezuiniging moet 800 miljoen euro opleveren. Vorige week vrijdag stemde de ministerraad in met een hoofdlijnenbrief hierover van minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA).

Een keertje ‘struikelen’ wordt dus een dure grap. Vooral voor pa en ma, die vaak (gedeeltelijk) voor de kosten van hun studerende kind opdraaien. Dat bleek uit onderzoek van het Nibud, dat in collegejaar 2011/2012 voor de eerste keer een onderzoek uitvoerde onder studenten in het hoger onderwijs. Zes op de tien studenten krijgen geld van hun ouders: 233 euro voor uitwonende studenten en 100 euro voor degenen die nog thuis wonen. 68 procent van de ouders betaalt specifieke uitgavenposten. Het gaat hierbij voornamelijk om collegegeld, gevolgd door de zorgtoeslag en studiemateriaal.

Mede door de recente ontwikkelingen heeft ook Shanta Mahabiersing zich voor de workshop op de HvA ingeschreven. „We betalen de studie van onze kinderen voor zover we kunnen, omdat we niet willen dat ze met een schuld beginnen. Daarom is het wel erg belangrijk dat ze in één keer de juiste keuze maken.”

De uitval in het hoger onderwijs is groot. Van de hbo’ers valt 36 procent in het eerste studiejaar uit, onder wo’ers is dat 32 procent.

Mahabiersings dochter Sharita (17) zit nu nog op het mbo, maar hoopt in september toegepaste psychologie aan de HvA te gaan studeren. Door een selectieprocedure bestaat echter de kans dat ze niet wordt toegelaten. „Ze moet van ons een tweede en derde optie hebben.” Mahabiersing doet er alles aan om samen met Sharita tot de juiste beslissing te komen. Naast de workshop woonde ze ook open dagen en meeloopdagen bij. Ze overweegt nog om haar dochter in te schrijven voor een driedaagse oriëntatiecursus.

Ook Nel Barendsen probeert haar zoon zo goed mogelijk te begeleiden, al gaat dat niet altijd van harte. „Hij gaat echt niet met zijn moeder naar de open dag. Volgende week is er weer een voorlichtingsdag, maar waarschijnlijk ga ik dan alleen. Hij is trouwens wel een keer met zijn vrienden gegaan. Achteraf zei hij dat het toch best interessant was.”

Ouders spelen een steeds actievere rol bij de studiekeuze van hun kind. Zo kwamen vorig jaar op de Universiteit Utrecht 13 procent méér ouders mee naar de bachelorvoorlichting dan in 2011. Het aantal jongeren dat zich komt oriënteren op een bacheloropleiding nam weliswaar ook toe, maar slechts met 6 procent. Op de Universiteit van Amsterdam werden in oktober 2011 nog 2.052 voorlichtingsrondes bezocht door ouders. Een jaar later lag dat aantal op 4.815 rondes, terwijl ouders gemiddeld niet méér rondes bezochten. In Nijmegen was er ook meer animo voor de voorlichtingsdagen. Ten opzichte van 2011 steeg het aantal bezoekers aan de Radboud Universiteit – zowel ouders als kinderen – in 2012 met 7,5 procent.

De meeste universiteiten en hogescholen organiseren zelfs voorlichtingsdagen of -avonden alleen voor ouders. Die vinden in deze periode plaats. De interesse daarvoor neemt de laatste jaren ook toe, ziet onder anderen Maarten van Os, manager Studiekeuze aan de Hogeschool Rotterdam. „Eigenlijk zijn ouders geen partij in het hoger onderwijs, alle communicatie gaat via de student. Maar in het keuzeproces blijken ze toch een belangrijke factor te zijn.”

En heel vreemd is dat ook niet, vervolgt Van Os. „De aankomend studenten zijn vijftien, zestien jaar oud als ze zich gaan oriënteren op een studie. Langetermijndenken is voor hen vaak nog erg moeilijk.”

Dat merken ook Tinka Overzier en Hendrikje Veerman, coaches bij de ouderworkshop op de HvA. „We krijgen wel eens te horen dat iemand ‘iets met media’ wil gaan doen, omdat het zo leuk klinkt”, vertelt Overzier. „Wat zo’n studie precies inhoudt, lijkt nog niet zo belangrijk.”

Alleen het criterium ‘leuk’ is niet goed genoeg. „Zomaar wat studeren zit er niet meer in”, zei Jet Bussemaker vorige week zaterdag nog in deze krant. Ze hoopt dat de aangekondigde maatregel jongeren beter zal doen laten nadenken voordat ze een studie kiezen. „Past die opleiding wel bij me? Kan ik niet beter iets anders gaan doen?”

Hoewel de aanwezige ouders op de workshop benadrukken dat hun kind helemaal vrij is in het kiezen van zijn of haar studie, weet Veerman dat dat zeker niet voor alle ouders geldt. „Ouders hebben vaak toch een bepaald beeld in hun hoofd wat hun kinderen zouden moeten studeren. En daarmee ook wat voor baan ze later zouden moeten krijgen. Heel algemeen gezien willen ouders simpelweg dat hun kind hogerop komt”, zegt Tom Luken, psycholoog en zelfstandig loopbaanadviseur. „Dat betekent: niet met de handen werken, maar met het hoofd.”

De Onderwijsraad meldde in 2008 dat jongeren aangeven dat ouders verreweg de meeste invloed hebben op de studiekeuze. Volgens Luken speelt de verbeterde relatie tussen ouder en kind hierbij een grote rol. „Deze generatie kinderen heeft over het algemeen meer bewondering en waardering voor hun ouders dan de vorige.”

In principe staat Luken positief tegenover de groeiende betrokkenheid van ouders, maar hij ziet dat er ook een gevaar in schuilt. „Sommige ouders laten hun wensen te veel doorsijpelen. Ze doen het misschien niet bewust, maar kinderen voelen dondersgoed aan hoe hun ouders erover denken. Een gebaar of een bepaalde oogopslag kan al genoeg zijn.” Een student die niet zelf voor zijn of haar studie heeft gekozen, zal volgens Luken uiteindelijk met motivatieproblemen kampen. Met mogelijk datgene tot gevolg wat ouders juist wilden voorkomen: schooluitval.

Tijdens de workshop op de HvA krijgen ouders tips hoe ze het beste met hun kind in debat kunnen gaan. De belangrijkste les: kies het juiste moment. „Begin er dus vooral niét over als er al een donkere wolk boven de eettafel hangt”, waarschuwt Veerman. Een herkenbare situatie, te zien aan de blikken die tussen ouders onderling worden uitgewisseld.

„Ga in plaats daarvan eens met z’n tweeën een stukje autorijden”, oppert de coach. Overzier geeft nog een tip: „De grote kunst is om soms gewoon je mond te houden. Laat je kind uitpraten, kom niet meteen met argumenten waarom het wel of niet voor iets zou moeten kiezen. Laat ze gewoon een dagje meelopen, bijvoorbeeld.”

Overzier besluit: „Kinderen willen heel veel zelf beslissen. Ze kiezen een bijbaantje, gaan zelf op vakantie. Maar als het écht moeilijk wordt, hebben ze uw hulp hard nodig. Ook al geven ze dat niet altijd toe.”