Een ander gezicht van het vrome Mekka: stout, smeuïg en seksueel

Mekka is een heilige stad, een bedevaartsoord, maar in de negentiende eeuw had de stad ook een wellustige, zondige kant. Het geloof werd met een knipoog beleefd. Het is jammer dat deze episode zo onbekend is, vindt Robbert van Lanschot.

Dans in de harem, een schilderij van Vincenzo Marinelli uit 1862. Eigendom van museum Capodimonte in Napels.

Sinds begin dit jaar is het debat over de islam en moslims in Nederland opeens weer terug van weggeweest. De allesoverheersende zorgen over de eurocrisis beginnen kennelijk weg te ebben. In De Telegraaf kwam columnist Bob Smalhout met zijn ‘vierhonderd’ jaarlijkse eerwraken. Journalist Bert Schut betreurde in de Volkskrant dat de islamsatire bij ons – in tegenstelling tot bijvoorbeeld in het minder bangelijke Frankrijk – „dood” is en in diezelfde krant maakten jeugdimam Mohammed Cheppih en schrijver Said el Haji ruzie over dwang versus vrijheid binnen de Nederlands-Marokkaanse gemeenschap (El Haji: „Meneer Cheppih, waarom mogen onze kinderen niet vrijuit experimenteren?”). Maar het meeste heeft helaas wel een hoog déjà-vu-gehalte.

Onlangs kwam ik evenwel iets tegen dat ons denken over de islam meteen ook een beetje op z’n kop zet; een thema dat controverses kan oproepen, maar dat dermate onbekend is dat er niet eens een taboe omheen hangt: het heilige Mekka als zondige stad. Het staat beschreven in een publicatie uit 1887. Ik doel op het Mekkaboek van arabist, islamdeskundige en spion Christiaan Snouck Hurgronje. Hij bracht er bijna een jaar door. Hiervoor had hij zich laten besnijden – haast onvermijdelijk, want rondom het voor niet-moslims absoluut verboden Mekka waren er controleposten waar reizigers in geval van twijfel even hun kleren moesten optillen. Hij had zich kort voor zijn vertrek vanuit Jeddah formeel bekeerd tot de islam (maar zijn inmiddels 92-jarige dochter Christien Liefrinck-Snouck Hurgronje, die bij mij om de hoek woont, liet me desgevraagd ooit weten dat haar vader de islam nooit „in zijn hart had gesloten”).

In zijn boek beschrijft Snouck Hurgronje een stad waar, als ik dat zo mag zeggen, heel wat werd rondgeneukt. Het was een met seks geobsedeerde maatschappij, waarbinnen vooral Afrikaanse slavinnen hoog scoorden. Binnen het islamitische recht geldt dat een man slechts vier vrouwen tot echtgenoot kan nemen. Maar slavinnen worden niet meegeteld, een clausule waarvan de Mekkaanse mannen gretig gebruik maakten. Omgekeerd gebruikten Mekkaanse vrouwen de institutie van het ‘tijdelijke huwelijk’ om zich, tegen betaling vooraf, aan te bieden aan reizigers en pelgrims.

Dit staat allemaal natuurlijk haaks op het beeld van een stad die zo heilig is dat bedevaartgangers er in een hoge staat van geestelijke reinheid dienen te arriveren. De sociale geschiedenis van Mekka is duidelijk genuanceerder dan we plegen te denken. Het was stad met veel diepvrome mensen, maar het was er ook stout, smeuïg en sensueel. In de Nederlandse discussies en in het onderwijs komt dit aspect helaas niet aan de orde. Niet uit gêne of zelfcensuur, maar uit onbekendheid.

Volgens Snouck Hurgronje waren er in Mekka drie categorieën vrouwen: (a) de Mekkaanse, vrij geboren vrouwen, lokaal ‘de dochters van de mensen’ genoemd; (b) Ethiopische slavinnen, vanwege hun stijlvolle uitstraling, fluwelige huid en seksueel raffinement de concubines bij uitstek; en (c) de Zwart-Afrikaanse vrouwen onder aan de maatschappelijke ladder, die sloofje in de huishouding waren en tegelijkertijd toegankelijk en vooral ‘heet’ lustobject. Snouck Hurgronje: „De fysieke eigenschappen van de slavinnen worden hier algemeen in hoge eer gehouden. En zij bezitten de drie meest geliefde eigenschappen (heet, droog en schoon) des te meer naarmate hun huidskleur donkerder is.”

Maar een slavin hoefde niet per definitie in te gaan op de avances van haar eigenaar. „Ik heb een steenrijke man gekend die wat harem betreft bijna alles kon hebben wat hij maar wilde. Ik trof hem in tranen aan omdat een kort tevoren door hem gekochte pikzwarte negerin hem in alles ter wille wilde zijn, maar niet in dit ene. En dan geldt bij fatsoenlijke lieden het principe: alles kan men afdwingen behalve dit ene.” Een van Snouck Hurgronjes kennissen, een welgestelde koopman, had het echter beter getroffen: „Zijn pikzwarte zoon was de vrucht van een gelukkiger toegenegenheid van deze man tot zijn zwarte keukenmeisje”.

Met name in rijke huishoudens was het vaak een Durcheinander van echtgenotes, huishoudslavinnen en Ethiopische concubines, met in sommige gezinnen bovendien nog slavinnetjes die de heer des huizes cadeau had gegeven aan zijn seksueel ontluikende zonen. De grotere huizen waren zo ingedeeld dat een man met een van de dienstmeisjes of een concubine in de weer kon zijn, zonder dat gekir en gekreun tot de vertrekken van de wettige echtgenote(s) konden doordringen. Krapper behuisden hadden in dat opzicht een probleem. „Daarom huren deze heren voor hun concubine vaak een kleine separate woning zodat de bint bamm (de vrouw des huizes) er niets van merkt.”

Als een man net een nieuwe slavin had gekocht, stond hij natuurlijk te popelen van ongeduld. Maar volgens de sharia diende hij een aantal maanden te wachten voordat hij de liefde met haar bedreef. Op die manier was er de zekerheid dat zij niet in verwachting was en werd onduidelijke afstamming van een kind vermeden. Die wachtperiode, die ook voor een huwelijk met een weduwe of een gescheiden vrouw geldt, heet de iddah. Maar volgens Snouck Hurgronje waren de lokale mannen te geil: „Deze bepaling is naar ieders gevoel veel te zwaar voor de Mekkanen. Het is al veel als zij twee tot drie dagen wachten.”

Op hun beurt waren sommige Mekkaanse vrouwen druk met mannen in de weer. Vooral vrouwen die al een huwelijk achter de rug hadden. Zij boden zich aan voor geld, maar deden dat onder de dekmantel van het gedoogde ‘tijdelijke genotshuwelijk’. Zij waren tough cookies en heel romantisch ging het er niet aan toe: „Zij vraagt: hoe lang ben je van plan te blijven, en wat denk je met mij te doen bij je vertrek? Als hij antwoordt dat hij drie maanden denkt te blijven en dat hij gedurende die tijd gewoon een vrouw wil hebben, dan rekent zij hem voor: tien Maria Theresia-daalders voor de huwelijksgave, twaalf Maria Theresia-daalders per maand voor levensonderhoud, en dat zowel voor de drie maanden na de scheiding, dus voor de iddah-periode, als voor de tijd van het samenleven. Zij stipuleert daarbij dan ook nog dat de vreemdeling voor het afsluiten van het contract de gehele som in een keer op tafel legt.”

Minstens de helft van de in Mekka gesloten huwelijken waren volgens Snouck Hurgronje niets meer dan vluchtige concubinaten. En ongewenste zwangerschappen kwamen veelvuldig voor. De sharia staat abortus toe tot de vijfde maand, maar er waren vroedvrouwen in Mekka die bereid waren „te allen tijde de vrucht af te drijven”. Zij waren zo zeker van hun zaak dat zij – zoals sommige hedendaagse advocaten in de Verenigde Staten – een systeem van no cure, no pay volgden. „Krachtige negerinnen helpen zichzelf tot een afdrijving door herhaaldelijk kopje te duiken maar fijner gebouwde vrouwen worden met medicijnen behandeld die in de baarmoeder worden aangebracht.” Er was zelfs een nogal enge anticonceptiepil voor mannen: „langwerpige pillen die zij voor de coitus in de eikel van de penis aanbrengen”.

Je zou kunnen redeneren: ach, iedere stad gaat wel eens door een moreel dipje. Maar voor Mekka ging het niet om een dipje. Zestig jaar eerder was een andere westerse reiziger, de Zwitserse avonturier Johann Burckhardt, erin geslaagd Mekka binnen te komen. Kort tevoren had het wahabitische koningshuis van Saud de stad veroverd en acht jaar heerste er een steng, Talibaanachtig regiem. Maar de Sauds werden verjaagd en het vrolijke leven werd in alle hevigheid hervat.

Burckhardt beschreef het in zijn Reisen in Arabien; hij komt met details die Snouck Hurgronje onvermeld laat of miste. Bijvoorbeeld dat er in Mekka in Afrikaanse slavinnen ook werd ‘gespeculeerd’. Dat ging zo: je koopt een jong meisje en mocht ze onvruchtbaar blijken, dan probeerde je haar aan een nieuwkomer met winst door te verkopen. Ze had immers intussen, zoals een moderne au pair, ervaring in de huishouding opgedaan. Op allerlei plekken werd alcohol verkocht – zogenoemd ‘kaneelwater’ (uit India geïmporteerde arak die op smaak was gebracht met kaneel). En tot in de portalen van de Grote Moskee kon je kinderprostituees vinden, zowel jongens als meisjes. Er was zelfs een rosse buurt, Shab Aamer geheten.

In de huizen van welgestelde Mekkanen wemelde het van de maîtresses. Burckhardt: „Er is geen enkele rijke Mekkaan die huiselijke vrede prefereert boven de bevrediging van zijn lusten.” Door het grote aantal Afrikaanse vrouwen viel het Burckhardt op dat heel veel Mekkanen er toch wel erg Afrikaans uit zagen. In sommige families waar iedereen nogal Arabisch oogde, kon het trouwens voorkomen dat een kind – dankzij een haast vergeten Afrikaanse overgrootmoeder of overovergrootmoeder – onverwacht met negroïde trekken ter wereld kwam. (Dit genetische fenomeen wordt in het Caraïbische gebied door de officieel niet-racistische Cubanen de salto atras genoemd – de sprong achteruit.)

Snouck Hurgronje, die het later tot rector magnificus van de Leidse universiteit schopte, schreef op wat hij zag. Burckhardt idem dito. Zij waren geen negatieve proto-PVV’ers; zij waren wetenschappers, die publiceerden voor andere wetenschappers. Snouck Hurgronje schreef zijn boek in het Duits, een belangrijke taal onder oriëntalisten. Het heette Mekka, Aus dem heutigem Leben. Een groot Nederlands lezerspubliek is niet wat hij zocht.

Op z’n Mekkaans kocht hij – de latere rector magnificus! – voor zichzelf een bevallig Ethiopisch meisje. Zij was voor hem ook een bron van informatie. Toen hij in een internationale intrige verstrikt raakte en de stad haastje-repje moest verlaten, liet hij haar zwanger achter. (De website van de Universiteit Leiden vermeldt braaf dat hij „met een islamitische vrouw leefde”; de realiteit was dus heel wat pikanter!) De kans dat zij op het moment dat hij haar aanschafte ‘islamitisch’ was, is overigens gering. Rond 1885 telde de Ethiopische rompstaat nog nauwelijks islamitische gewesten. En moslims plachten, conform de sharia, geen geloofsgenoten als slaven te verhandelen.

Snouck Hurgronje zat in Mekka ook als spion. Het was de tijd van de oorlog in Atjeh en de regering in Den Haag maakte zich – let wel, honderdveertig jaar voor de aanval op het World Trade Center – ongerust over jihadistische stromingen binnen de islam. Snouck moest een oogje houden op de pelgrims uit Nederlands-Indië.

Een uiterst streng Mekka en een wellustig, zondig Mekka leefden naast elkaar. Sterker nog, er was meestentijds sprake van vreedzame coëxistentie. Zo kom je noch bij Snouck Hurgronje, noch bij Burckhardt het woord ‘steniging’ tegen. In het hart van de islamitische wereld werd het geloof kennelijk met een knipoog beleefd. Mekka was voor veel lokale mannen een schier permanente Summer of Love, vol sensualiteit, hasjiesj, kopje duikelende negerinnen en drank. En misschien was dat ook wel de bedoeling en is de huidige, allesoverheersende strenge interpretatie van het geloof door het Huis van Saud slechts een intermezzo. De afgelopen decennia zijn in Mekka en Medina vrijwel alle vroegislamitische monumenten en mausolea die tot een aan afgoderij grenzende verering aanleiding konden geven – het geboortehuis van de Profeet, het mausoleum van zijn eerste vrouw Khadija, het graf van zijn ‘lievelingsvrouw’ Aisha et cetera – afgebroken. Het Huis van Saud doet daar niet aan werelderfgoed. Zeker tijdens de jaarlijkse periode van de hadj, de pelgrimstocht naar Mekka, worden ook wij in Nederland telkens weer bedolven onder verhalen over het heilige, vrome Mekka. En dat bestaat, dankzij die Saudische sloopwoede, meer dan ooit. (Zie bijvoorbeeld het zoetsappige, haast misselijkmakende tekstblok ‘Geprek over de islam’ in het havolesboek Thema’s Maatschappijleer).

Maar die onbekendheid met dat smeuïge, zondige Mekka is jammer. Een modern geloof moet twijfels en tekortkomingen onder ogen kunnen zien. De katholieke kerk had zijn Tweede Vaticaans Concilie, dat tot schrik van de Romeinse Curie uitmondde in een soort Woodstockfestival voor theologen. Opeens was alles bespreekbaar. Zo’n spannend moment heeft de saaie, in orthodoxie gedompelde islamitische gemeenschap in Nederland nog niet meegemaakt. In zijn Volkskrant-brief aan Cheppih schrijft El Haji: „Ik geef toe dat openheid beschamend kan zijn, vooral als je gewend bent elkaar – eerbiedig – te ontzien. Maar in een open samenleving is iedereen kwetsbaar.” Ik denk dat Snouck Hurgronjes Mekka met z’n ‘islam-met-een-knipoog’ zulke beschamende openheid verdient, alsook – waarom niet? – een stevige portie cynische joligheid.

Robbert van Lanschot is freelancejournalist.