De race naar het laatste vakje

geschiedenis Bordspelen zijn heel oud, maar pas vanaf de opkomst van landbouwstaten bleven borden bewaard. De opmars begon in het Midden-Oosten en hield daarna niet meer op.

‘Pak je pion, en schiet op’

‘Ja! Mijn vinger zal de weg volgen naar het huis van de drie botten!’

Dit gesprekje tussen twee Egyptische bordspelspelers is zo’n 4.400 jaar oud. Het is te lezen op een muur van de graftombe van Nebauhor (ca. 2400 v. Chr.). Het spel is senet, een typisch racespelletje waarbij je elkaars pionnen er af kan gooien: een soort Mens-Erger-Je-Niet. Sommige vakken bieden veiligheid of juist terugzetting naar een eerder vak. De tweede speler ruikt hier al de overwinning, want ‘het huis met de drie botten’ is een van de laatste vakken. De twee hebben er duidelijk lol in. Maar het spel senet werd in de loop der eeuwen óók een belangrijk symbool voor de race van de zielen door de onderwereld, op weg naar spirituele wedergeboorte. Tijdens begrafenisrituelen werd het spel gespeeld met de overledene. Waarschijnlijk gooide dan iemand anders met de dobbelstenen.

Senet (bekend vanaf 3000 v. Chr.) is samen met het Koninklijke Spel van Ur (ook een racespel, ca. 2600 v.Chr.) het oudste met zekerheid te identificeren bordspel. Beide spellen duiken op wanneer de grote landbouwstaten ontstaan in Egypte en Zuid-West Azië. Rond die tijd (ca. 2500 v. Chr.) verschijnen ook kubusvormige dobbelstenen met stippen in de Indiase Harappa-beschaving.

Zijn bordspellen dus 5.000 jaar oud? Misschien veranderde de omgang met vrije tijd ingrijpend in die nieuwe landbouwstaten, met zijn nieuwe elites en nieuwe productievormen. Misschien werden er toen voor het eerst minder vergankelijke borden gemaakt. Oudere borden van doek vind je nooit meer terug. Er zijn ook een paar oudere aanwijzingen voor bordspelen, uit het begin van de landbouwtijd (ca. 7000 v. Chr.). Uit die tijd zijn stenen tegels gevonden met daarin regelmatige gaatjes, waarop je een soort mancala zou kunnen spelen. Maar volgens een recente interpretatie (PLOS-One, 1 augustus 2012) kan je die gaatjes ook gebruiken als hulpmiddel om vuur te maken.

Voor de vooraanstaande spellenonderzoeker èn spijkerschriftdeskundige Irving Finkel (British Museum) is er geen raadsel. Natuurlijk zijn spellen veel ouder dan 5.000 jaar, het is een universele menselijke activiteit. “We zien hier de verschijning van het spelbord, niet het ontstaan van het bordspel”, aldus Finkel over de tijd rond 3.000 jaar geleden. “Spellen worden al gespeeld sinds onheuglijke tijden”, zo schrijft hij in de inleiding van de catalogus bij de grote spellententoonstelling die nu te zien is het Musée de Cluny in Parijs: Art du jeu, jeu dans l'art de Babylone à l'occident médiéval (tot 4 maart).

Volgens Finkel komt het bordspel voort uit het menselijk vermogen tot abstractie, anticipatie en aanleren van nieuwe vaardigheden, en uit de principes van ‘regels’ en van ‘winnen en verliezen’. Allemaal zaken waarover Homo sapiens waarschijnlijk al sinds zijn ontstaan (200.000 jaar geleden) heeft beschikt. “Met een paar strepen of gaten in het zand en met wat zaadjes of steentjes, zal er altijd gespeeld zijn”, denkt Finkel.

Met tientallen soorten spellen vanaf Senet tot aan een trictrac-spelletje uit de Italiaanse Renaissance toont het Franse museum de universaliteit van de menselijke speellust èn de sterk cultureel bepaalde verschijningsvorm daarvan. “Tegenwoordig ligt bij spelletjes sterk de nadruk op het amusement. Maar ook nu nog ligt daaronder ook een symbolische laag”, zegt Isabelle Bardiès-Fronty telefonisch vanuit Parijs. Ze is conservator van het Musée de Cluny. “Als ik verlies, dan sterf ik een beetje”, zegt ze. “Dat soort ervaringen bestaan nog steeds. Vroeger was er evenveel plezier, maar die symbolische kant was sterker. Voordat het bordspel in de achttiende eeuw in de handen van de commercie viel en meer kinderspel werd, was het een zaak voor volwassenen, met een belangrijkere culturele rol dan nu.”

Van senet zijn zo’n 120 borden teruggevonden, vaak ingekrast in de vloer van graftomben. Resten van de oudste borden zijn teruggevonden in tomben van de Eerste Dynastie, het jongste exemplaar stamt uit het begin van de jaartelling – ingekrast in het dak van een tempel. Ingekraste speelborden op publieke plaatsen waren een bekend verschijnsel in de oudheid, al zien veel archeologen ze over het hoofd. Veelzeggend is dat de speelborden vaak zijn ingekrast op plekken die ’s middag in de schaduw liggen. Lekker koel.

Het spel senet is zéér Egyptisch. Het is vrijwel uitsluitend gevonden in het machtsgebied van de farao’s. Die culturele eigenheid lijkt een belangrijk regel in de geschiedenis van bordspellen. De meeste spellen blijven binnen één land of rijk en hooguit reizen ze mee met veroveringslegers. Àls ze een grens overgaan, met handelaren of reizigers, veranderen meestal de regels. En dan kunnen ze zich heel ver verspreiden. “Bordspelen spoelen over de aarde als gemorste melk”, zei Finkel vorig jaar februari tijdens een lezing in New York (te zien op YouTube: Games of the Ancient World), “maar er is vrijwel geen historicus die daar ooit aandacht aan besteedt.”

Finkel zelf wijst graag op de ongelofelijke continuïteit in het voortbestaan van sommige spellen. Als vaste waarheid gold bijvoorbeeld altijd dat het Spel van Ur (ook wel het twintigveldenspel genoemd) zo rond het begin van de jaartelling was verdwenen – net als Senet. Maar Finkel ontdekte 30 jaar geleden in een Israëlische kiboets een oude vrouw die zich uit haar jeugd in het Indiase Cochin het spel ‘Ashin’ herinnerde: vrijwel identiek aan het antieke spel – alleen het aantal pionnen was veranderd. Het spel was waarschijnlijk meegenomen door de groep joden die rond het jaar 1000 uit Babylon naar Cochin was geëmigreerd.

Volgens Finkel en anderen had het oude Egyptische spel Mehen een vergelijkbaar lang leven. Egyptologen hadden altijd gedacht dat het spel – op een typerend spiraalvormig slangenbord – alleen tussen 2600 en 2000 v. Chr. werd gespeeld. Maar begin jaren twintig werd ontdekt dat de Baggara-Arabieren in Soedan een vergelijkbaar spel speelden, op een spiraal die ze tekenden in het zand. Is dat echt hetzelfde spel? Naar de spelregels van Mehen kan alleen worden geraden. Ganzenbord (dat opduikt in de renaissance) wordt óók op een spiraalbord gespeeld.

Waarom juist deze twee antieke spellen millennia lang onveranderd doorgespeeld zouden zijn, is ook niet duidelijk. De historiografie van het bordspel staat nog in de kinderschoenen.

Het best onderzochte spel is schaken. Dat is meteen het klassieke voorbeeld van een wijd verspreid spel met voortdurende veranderingen. De oerversie ontstond waarschijnlijk in India, 1.500 jaar geleden. En met vrijwel iedere cultuurovergang (Perzië, het Islamitische Rijk, West-Europa, China, Japan) veranderden de spelregels. Het ging vaak om culturele aanpassingen. In China, met zijn keizerlijke bureaucratie, kreeg bijvoorbeeld de koning (‘generaal’) twee ‘raadgevers’ of ‘mandarijnen’ in plaats van de ene ‘vizier’ die hij nog in India had. En die generaal mocht ook niet ‘rondreizen’: op het Chinese bord verscheen een paleis (van 3x3 velden) waar de generaal niet uit mocht. Pas aan het einde van de Europese middeleeuwen werd de oude, trage vizier omgetoverd in de beweeglijke koningin die nu het machtigste stuk van het spel is – volgens sommigen onder invloed van de verering van de Maagd Maria.

Langzaam komt nu ook het onderzoek naar de verspreiding van andere spellen van de grond. Zoals naar twee wijdverspreide spellen in het oude Midden-Oosten: het twintigveldenspel (Spel van Ur) en ‘Honden en Jakhalzen’. “Juist bordspelen zijn ideaal om verspreiding van cultuur in oude tijden te onderzoeken”, zegt Alex de Voogt, een Nederlandse antropoloog die werkt bij het American Museum of National History in New York. Hij is een van de weinige antropologen en archeologen die zich met spelletjes bezighouden. Er zijn in de archeologie veel grootse theorieën over culturele overname en vernieuwing, “maar die ideeën worden vooral toegepast op aardewerk. Want alleen daar heb je grote aantallen om mee te rekenen.”

Om dat te veranderen heeft De Voogt met twee collega’s nu een grote inventarisatie en analyse gemaakt van twee bordspellen die uit het Midden-Oosten tussen 2000 v. Chr. tot ongeveer 500 v. Chr. in honderdvoud bekend zijn (Journal of Archaeological Science april 2013). Wat bleek? De twee onderzochte spellen veranderden in die lange periode maar weinig, terwijl ze toch regelmatig grenzen overstaken. “Die oude vuistregels gaan dus lang niet altijd op.”

De Voogt ziet dezelfde patronen in de huidige variatie van het dammen in het Caraïbische gebied. “Op Franse eilanden volgen ze in principe de Franse regels (de internationale variant), op de Engelse de Engelse (op een schaakbord). Maar toevallig zag ik op een paar foto’s een ongewone variant op zowel Spaans- als Engelstalige eilanden, een bord met 144 velden dat we eigenlijk alleen uit Canada kennen. Niemand kan je vertellen hoe dat zit. Naar dit soort variatie is nauwelijks onderzoek gedaan. Maar je kan zo allerlei onderstromen in de culturele beïnvloeding ontdekken.”

De grote bloei van bordspellen lijkt pas in het tweede millennium voor Christus te beginnen. Uit de periode 3.000 tot 2.000 jaar v. Chr. vonden ze te weinig exemplaren van de twee onderzochte spellen voor een zinvolle analyse.

Van het spel ‘twintig velden’ (van Ur) brachten De Voogt en zijn collega’s tussen 2000 en 500 v. Chr. 97 exemplaren in kaart. Het andere onderzochte spel was ‘58 gaatjes’ (dat naar de Egyptische uitvoering ook wel ‘Honden en jakhalzen’ wordt genoemd). Daarvan wisten ze er 68 op te sporen. De spellen duiken in het hele Midden-Oosten op, van Iran en Turkije tot het extreme zuiden van Egypte en in allerlei variaties. Net als bij Senet zijn veel borden teruggevonden op marmeren trappen en vloeren: ingekrast door soldaten of andere spelers.

Veranderingen in spelregels zijn meestal alleen zichtbaar als het bord mee verandert. Een complicatie is dat op hetzelfde bord in theorie ook twee verschillende spellen kunnen worden gespeeld, zoals ook nu nog gebeurt met dammen op een schaakbord. Van het ‘twintig veldenspel’ is overigens begin jaren tachtig door Irving Finkel een spelregelsetje teruggevonden op een kleitablet uit de tweede eeuw voor Christus. Van de meeste andere antieke spellen moeten de regels worden geraden. En speelstukken zijn meestal alleen in combinatie met een bord te identificeren.

“In zo’n lange periode en verdeeld over zoveel elkaar vijandige regio’s en rijken hadden we vrij veel veranderingen verwacht”, legt De Voogt uit. In het twintig-veldenspel vonden hij en zijn collega’s 14 innovaties in ongeveer 1.250 jaar. De oudste spellen, van voor 1600 v. Chr., zijn allemaal hetzelfde, maar daarna gaat het aantal velden veranderen. Een variant met 28 velden verschijnt in Egypte en blijft daar bijna 1.000 jaar bestaan. Een variant met maar 17 velden duikt daarentegen maar één keer op, in de Levant.

Bij Honden en Jakhalzen zijn er 12 innovaties in 1.300 jaar (aantal gaten, aantal gemarkeerde gaten, configuratie van de gaten), waarvan er maar een paar blijvend waren. De Voogt: “Dat kan er op wijzen dat dit spel door een kleinere groep werd gespeeld dan twintigvelden, misschien was het meer een elitespel.”

Ook de geografische verspreiding is ongeveer gelijk. Honden en Jakhalzen lijkt vrijwel geheel via handelsroutes te zijn verspreid. Het twintigveldenspel lijkt vooral met veroveringen te zijn verspreid: van Mesopotamië naar Syrië en de Levant en vandaar met de inval van de Hyksos rond 1600 v. Chr. naar Egypte. Uit Egypte is het weer via handel naar Cyprus en Klein-Azië gegaan.

In onze streken, Noordwest-Europa, duiken de eerste bordspellen pas op met Romeinse soldaten en kooplieden, aan het begin van de jaartelling. Het in de Vikingtijd razend populaire Hnefatafl lijkt geïnspireerd op het Romeinse strijdspel Ludus latrunculorum (dat volgens sommigen leek op een soort combinatie van dammen en go). Maar de Vikingen vervingen de typisch Romeinse strijd tussen twee gelijkwaardige legers in de voor Germanen veel herkenbaardere strijd van een koning en zijn lijfwacht tegen een overmacht van aanvallers. In een recente analyse van vroege Britse spellen (Antiquity december 2011) schrijven twee onderzoekers dat bordspelen al vóór de Romeinse verovering verschenen in Zuid Engeland, maar altijd als onderdeel van het Romeinse cultuurpakket (munten, wijn, schrift), dat koningszonen en gijzelaars mee terugnamen uit het al veroverde Gallië en uit Rome. Met de verovering van heel Engeland in de eerste eeuw na Chr. verspreiden de spellen zich verder over de Britse eilanden. Ook het ‘oer-Keltische’ gwyddbwyll, bekend uit de verhalencyclus Mabinogion is waarschijnlijk een afstammeling van Ludus Latrunculorum. Een groot overzicht van de afleidingen van dit spel is nog altijd niet gemaakt.

Nu kun je op internet elk spel bestellen dat je wilt. Maar de manier waarop vroeger spellen werden doorgegeven is niet verdwenen, zo blijkt uit een modern verhaal uit Irak. In een boek over belevenissen in Irak vertelt de Amerikaanse sergeant Kayla Williams hoe haar verkenningseenheid begin deze eeuw ‘steen’ speelde met Koerden. “Hoe de Koerden het noemden wisten we niet, het leek een beetje op dammen. Ze tekenden een bord in het zand en speelden met donkere en lichte stenen. We wisten de spelregels te achterhalen, ondanks de enorme taalproblemen. Sommigen wisten zelfs wel eens te winnen van de Koerdische strijders.