Brieven

Aan gebrek aan inzet bij studenten ligt het niet

„Het idee dat je zomaar wat gaat studeren en dat de overheid het allemaal betaalt, daar moeten we echt een eind aan maken”, aldus minister Bussemaker (NRC Handelsblad, 19 januari). Het is helemaal niet mijn indruk dat studenten dit doen. Als studentendecaan in het hoger beroepsonderwijs merk ik wel dat ze soms van opleiding wisselen, omdat de opleiding anders is dan verwacht of omdat ze uiteindelijk andere ambities hebben. Aan gebrek aan inzet ligt het bijna nooit. Het is evenmin waar dat de overheid hiervoor opdraait. Iedere hbo-student krijgt vier jaar studiefinanciering van de overheid mee. Bij het wisselen van studie leent elke student bij voor elk jaar dat hij of zij tekortkomt.

En de student die zomaar wat studeert en er dan mee stopt? Die betaalt keurig netjes zijn studiefinanciering terug. Alleen bij het behalen van het diploma wordt de ‘verkregen’ studiefinanciering omgezet in een gift. Dit weet de minister natuurlijk ook.

Timon Hagen

Amsterdam

1813 opnieuw herdacht

In haar jongste Troonrede kondigde koningin Beatrix de herdenking aan van het herstel van onze nationale onafhankelijkheid in 1813. De historici Lok en Te Velde hebben zich al uitgesproken over de vorm en inhoud van deze herdenking (Opinie&Debat, 12 en 19 januari). Hoedt u voor „valse illusies van vaderlandsliefde”, zegt de één. „Herdenk 1813 als een begin”, waarschuwt de ander.

Vijftig jaar geleden, in 1963, was het niet veel anders. Ik maakte destijds als jongste lid, namens de Nederlandse Studenten Raad en de Nederlandse Jeugd Gemeenschap, deel uit van het Comité Nationale Herdenking 1813-1963. Voorzitster van dat comité was prinses Beatrix. Ook toen waren de verwachtingen niet hooggespannen. De NRC signaleerde op 30 november 1963 „gelatenheid” onder de bevolking, van wie „velen van het begin af aan bijzonder sceptisch stonden tegenover de plannen voor een nationale herdenking 1813-1963”. Maar, vroeg de krant zich af, vieren deze sceptici ook de verjaardag van vrouw en kinderen niet? Het Algemeen Dagblad had al laten weten „niet veel fiducie [te hebben] in de kansen die een herdenking van 1813 zou kunnen maken om een volksfestijn te worden. Waarom (...) moeten we 1813 eigenlijk gaan herdenken?” Dit was voor het Comité niet bemoedigend.

Die bemoediging putten wij wel uit de inspirerende woorden van onze voorzitster tijdens de constituerende vergadering van het Comité, in de Trêveszaal op 21 februari 1963, en haar toespraak voor radio en tv, op 30 april 1963. Herdenken heeft alleen zin als het inspireert tot een blik op de toekomst, hield zij ons voor – terugzien en vooruitzien.

Door dit uitgangspunt kwam de nadruk als vanzelf te liggen op de jeugd. In de toespraak die ik als vertegenwoordiger van de jeugd op 30 november 1963 – tijdens de officiële herdenking in het Vredespaleis – mocht houden, heb ik daarom van de ‘mijlpaal’ in onze geschiedenis, die 1813 allerwege werd en wordt genoemd een „wegwijzer” gemaakt. Waarheen wees die weg ons? Waarheen leidt hij ons verder?

Beide geciteerde historici hebben gelijk – geen valse illusies, geen holle rimram, geen volksfestijn, maar herdenken als een begin.

P.A. Wackie Eysten

Den Haag

Oorlog is geen videospel

Wat prins Harry doet, en met hem de meeste militairen, is het doden van tegenstanders zo min mogelijk benoemen (NRC Handelsblad, 23 januari).

Militairen gebruiken eufemismen als ‘neutraliseren’ of zoals Harry, ‘uit het spel halen’, voor iemand doden. Dit jargon maakt het gemakkelijker om te praten over een aspect van oorlog dat ook voor militairen moeilijk te verteren en soms zelfs traumatisch is. Eufemismen klinken minder agressief en worden ook veel gebezigd door politici en militaire leiders.

Prins Harry mag dan naar eigen zeggen niet de beste student zijn geweest op school, maar als professionele militair kent hij het verschil tussen videospelletjes en oorlog heel goed.

Ernst E.A. Dijxhoorn

Department of War Studies van het

King’s College London

    • P.A. Wackie Eysten
    • Timon Hagen
    • Ernst E.A. Dijxhoorn