Beste minister van Bemoeizucht

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: Plasterk-kinderen.

En bedankt, Ronald Plasterk, minister van Bemoeizucht. Sinds uw oproep aan ouders om hun kinderen beter op te voeden, heb ik dus een akkefietje met mijn huidige verkering. Anderhalf jaar kennen we elkaar nu, en in die anderhalf jaar, meneer de minister, is er hier thuis geen onvertogen woord gevallen over mijn manier van opvoeden. Mijn verkering bemoeide zich nergens mee. Puberale aanvallen, grote monden, schreeuwen om aandacht – het gleed van hem af als druppels water van een eend.

Zelfs had hij het plan opgevat om mij en mijn dochters in de meivakantie mee te nemen naar Curaçao . Curaçao! We zouden een villa met zwembad huren, een beetje snorkelen in zee en visjes grillen op het strand.

Maar nu, meneer de minister, is alles veranderd. Mijn huidige verkering vindt namelijk dat u „wel een beetje gelijk heeft”. Dat ouders niet meer „durven op te voeden”. Hij is van mening dat ik „te veel vrienden” met mijn dochters ben, dat voor hen alles „leuk” moet zijn, terwijl het leven dat natuurlijk lang niet altijd is. Ja, en toen ging ik bozige dingen zeggen als: „Jij weet niet waarover je het hebt. Jij hebt geen kinderen.”

Zoals altijd bij ruzies bleek het natuurlijk om iets anders te gaan. Om aandacht. Of beter gezegd: het gebrek daaraan, voor hem, omdat ik altijd alleen aan de meisjes denk. Hij kan maar niet begrijpen dat ik het zielig voor mijn dochters vind dat er af en toe een man op de bank zit die niet hun vader is.

Maar dat is toch zielig? Dat zullen ze op het ministerie van Bemoeizucht moeten beamen. Het is voor kinderen al een walgbare toestand als hun vader met hun moeder op de bank zit te flikflooien. Als een vreemde man – één met een baard nog wel! – aan hun moeder zit, dan is dat traumatisch. Daar zijn alle deskundigen het over eens.

Maar volgens mijn huidige verkering is dat onzin. Een beetje moeder laat volgens hem aan haar kinderen zien dat het leven na een scheiding gewoon doorgaat, en dat daar dus ook een nieuwe man bij hoort – of die kinderen dat nu leuk vinden of niet.

En zo kwamen we dus weer bij u uit, meneer de minister, en bij mijn zogenaamde angst om mijn gezag te laten gelden. En het is dus uw schuld dat we nu waarschijnlijk niet meer naar Curaçao gaan. Mijn huidige verkering is zich opeens gaan afvragen waarom hij een bedrag waarvoor hij ook een knappe tweedehands auto kan kopen, zou uitgeven aan een vakantie waarin hij toch „het vijfde wiel aan de wagen is”.

Gelukkig heeft mijn oudste dochter nu wijze woorden gesproken. Wat bijzonder is te noemen, want ze is een typisch Plasterk-kind: een kind dat door de werkende, hoogopgeleide moeder wordt verwaarloosd. Ik neem aan dat u het opiniestuk over ‘Plasterk-kinderen’ van vroedvrouw Beatrijs Smulders in NRC Handelsblad ook heeft gelezen? Volgens Smulders is het mijn eigen schuld dat ik gescheiden ben. Had ik maar niet zo hard moeten werken. En dan had ik wel de puf gehad om mijn kinderen op te voeden. Ziet u nu wel dat u een beetje voorzichtig moet zijn met wat u zegt? Voor je het weet gaat een gek ermee aan de haal.

Maar nu heeft mijn eigen Plasterk-kind dus iets verstandigs gezegd over het vermeende gezagsvacuüm bij mij thuis. „Mam”, zei ze, terwijl ze de zak patat leeg at die ik haar na mijn lange werkdag had voorgezet, „zullen we er gewoon een keer met zijn vieren over praten?”

Iemand moet haar in mijn afwezigheid hebben opgevoed.

    • Monique Snoeijen