Tussen lyriek en vingeroefening

Er wordt veel gedacht in de nieuwe poëzie van Mark Boog. Soms wordt zo’n gedachte ook een heus gedicht. Boog is dan ook niet de minste van onze poëten. Zijn toon is vervreemdend authentiek, maar zijn werk past desondanks in de literaire traditie. Albert Verweij zou dan zijn overgrootvader kunnen zijn, Victor van Vriesland zijn grootvader, Hans Faverey zijn vader en Peter van Lier zijn broer. In die familiereeks verschuift het accent per generatie van ernst naar ironie en understatement. En dat maakt de poëzie van Mark Boog, hoe ongrijpbaar soms ook, verteerbaar.

Maar niet altijd. Boogs nieuwe bundel, Maar zingend, opent met twee reeksen waarin uitsluitend redenering de weg van het gedicht bepaalt. Dat leidt soms tot meligheid, zoals in ‘Gedicht’:

Wat een wanhopig, wanhopig gedicht.

Het is maar goed dat het nooit geschreven is.

Zeg nu zelf: zoiets kun je toch niet menen?

(Als je het al snapte.) Toch: het is fijn

om niet alles precies te weten. Beter blij te gaan,

waardig. Het is heel goed zoals het is.

Hier spreekt een zwakke echo van de optimistische fatalist die met eerdere bundels succes boekte. Zijn debuutbundel Alsof er iets gebeurt (2000) werd bekroond met de Buddingh’-prijs, en voor De encyclopedie van de grote woorden (2005) kreeg hij de VSB Poëzieprijs. In de aanzet van Maar zingend lijken die lauwerkransen verwelkt. Er wordt nu benoemd in plaats van verbeeld. Hersenspinsels worden lichtvaardig als poëzie gepresenteerd, en als er al suggestie is, komt die niet of moeizaam uit de mist.

Halverwege de derde reeks, ‘Woestijn’, trekt die mist verrassend op. Vanaf ‘De golven en het breken’ wordt weer gekeken en verbeeld. In het volgende vers krijgt het denken opnieuw de overhand, maar het onderwerp is dan de verbeelding zelf. ‘Kijk dan toch hoe mooi het is, alles! / En mooier nog met sneeuw // of op een foto. Zo mooi was het, toen, / en we wisten het, want we fotografeerden.’

Vergeleken bij de rest van de bundel lijken de eerste twee reeksen niet meer dan vingeroefeningen. De dialectiek die Boogs poëzie zo eigen is komt pas tot haar recht als ze verder gaat dan ‘Het zou kunnen, maar het zou ook niet kunnen’. Dat gebeurt te zelden in ‘En tuchtig ons’ en ‘Nergens vis’. Als redacteur zou ik Boog hebben aangeraden om Maar zingend pas bij ‘Woestijn’ te beginnen. Dat had altijd nog een bundel van ruim zestig pagina’s opgeleverd, en een betere bundel. Het lucide gezeur van het eerste twintigtal verzen had de lezer bespaard mogen blijven.

In de titelcyclus ‘Maar zingend’ komt de dichterskeel op vertrouwde klank. Het openingsvers ‘Noemer, teller’ lijkt een volle echo van Faverey, en diens werk lijkt ook door te klinken in ‘Vaas’. Maar deze en de andere verzen uit de reeks zijn bovenal een opmaat naar het hoogtepunt van de bundel, ‘Naast iedere wieg’. In Boogs vorige bundel, Er moet sprake zijn van een misverstand (2010) stonden al drie gedichten uit deze cyclus, maar het referentiekader was toen nog onduidelijk.

In de nieuwe bundel staan die verzen in gestold verband met negen verwante gedichten. Het openingsvers zet betekenend in met: ‘Naast iedere wieg een fee. / Moeder wringt. Vader knarst. / De fee zegt: “Nou ja we zien wel. / Ik wil mijn voorspelling / later graag preciezer formuleren.”’ Dan volgt de wankele loop van een levenslot. Feeën doen mopperend hun werk, en het kind en het geluk zijn, avond aan avond, in bitter gevecht. Het slotvers van de reeks biedt een paradoxale conclusie. ‘Verhoudingen’ heet het.

Naarmate de wereld groter wordt

wordt de wereld kleiner.

Het krimpen van het raadsel,

doel van vele eindeloze jaren leren,

is een koude aangelegenheid, die rillingen

over het ontluikende lijf jaagt

alsof er al niet genoeg rillingen zijn.

Wat zich aandient voldoet

aan de voorspellingen –

een teleurstelling. Dus zo, inderdaad zo,

is het. Hap gulzig toe, toe maar.

Elke volgende lente is een kleiner deel

van het mooie leven

De beelden spatten niet van de pagina. Ook hier krijgen we geen aquarel, maar een hersenspinsel. Maar dat hersenspinsel is de conclusie van een beeldrijke cyclus, met een dwingend herkenbaar referentiekader.

De twee afsluitende reeksen, ‘Als je je nu uitkleedt’ en ‘Avondvullende glassoorten’, zijn diverser en daardoor minder dwingend. Toch biedt Mark Boog ook hier meer dan in de eerste helft van zijn bundel. Dat ligt vooral aan het onderwerp: het mensenleven. Bij Boog is dat geen reden tot vreugdevolle taal, maar er is wel humor.

Zo beschrijft hij zichzelf met de tong in de wang: ‘Ik houd mij staande. / Soms lukt het niet / en val ik om. / Maar dan sta ik weer op.’ En drie gedichten verder vertelt hij waarom hij niet bestaat: ‘Omdat ik niet besta / is het gek als ik zomaar iemand opbel. / Omdat ik niemand opbel / besta ik niet.’ In zulke regels grenst zijn poëzie aan het aforisme. Dat is geen literaire aanbeveling, maar in het principieel loodzware mensbeeld van Boog werkt het verkwikkend want relativerend.

Zelfspot is Mark Boog niet vreemd. In het laatste vers van Maar zingend zet hij zijn vak in de schijnwerper. ‘Het dichtersschap,’ schrijft hij dan, ‘is een aan autisme verwante stoornis / die goed te behandelen is, bijvoorbeeld / door de dichter het dichten te verbieden.’ Die therapie zou ik deze dichter niet willen aanraden. Wel hoop ik dat hij in zijn volgende bundel een strengere keuze maakt tussen vingeroefeningen en gestolde lyriek.